Skip to content
1866

De schepping

J.J.L. Kate

Zevende tafereel.

Bladzijde 192, regel 18. ‘Ziedaar mijn Sabbatswerk, dat ook het uwe zij.’

‘Een voorname karaktertrek der Geologische geschiedenis, d.i. der scheppingsgeschiedenis, is vooruitgang. De onbezielde stof klimt tot de lagere levensvormen; dezen, tot de hoogere. Nadat het groote vee en het gedierte des aardbodems opgevolgd was aan de onbezielde planten, de zeegedrochten, het wemelend gedierte, verschijnt het redelijk schepsel, de Mensch. Was de gang der trapsgewijze opklimming nu plotseling gestremd? Neen, Gods werk van verheffing, verhooging, toeneming, gaat tot nog toe voort. Maar de aart des menschen [een verandwoordelijk, onsterfelijk schepsel, met het instinkt eener eeuwige toekomst!] gedoogt niet dat dit werk, als vroeger, een scheppingsdaad zij. Schepping zou hier staking zijn. Gods werk van verheffing is nu het werk der vatbaarmaking, der voorbereiding van den zondigen, onvolmaakten mensch voor een volmaakten, onzondigen, toekomstigen staat. Het werk Gods op den zevenden dag, is het verlossingswerk. En op dezen dag daalt, naar de voorstelling der Mozaïsche oirkonde, geen nacht neder; want zijn bijzondere arbeid is nog niet voleindigd.’ - Hugh Miller.

Bladzijde 198, regel 4. ‘De God, dien men mint, in een schrikbeeld verkeerd, Dat m' aanroept en tuchtigt, bewierookt en lastert, Zelf beitelt en bootst, en toch - knielend vereert.’

‘De Negers verkoopen, verwerpen, verbranden of verdrinken hunne afgoden, als zij op hen vertoornd zijn. De Ostiaken geesselen ze na een ongelukkige jacht en verzoenen zich dan weder met hen, in de hoop dat deze kastijding hen verbeterd zal hebben. De inwoners van Congo, door de pest bezocht, wierpen al hunne afgoden op het vuur toen zij die vergeefs hadden aangeroepen. Een reiziger zag een Laplander al zijne fetiches verbranden, omdat zijne rendieren niet jongden. De Amerikanen aan de Hudsonsbaai leggen de snaphaan op hunne afgoden aan, als zij redenen van beklag meenen te hebben. De bewoners der Sandwichseilanden straften eens hunne goden door het schorsen der godsdienst-feesten, toen zij boos waren dat hun koning gestorven was. Zelfs de beschaafde Chinezen hebben geen verlichter denkbeelden op dit punt. Als zij, tot een afgod gebeden hebbende, hun wensch niet verkrijgen, geesselen zij zijne beelden, verwoesten zijn altaren, verklagen hem bij de rechtbank. Deze beoordeelt dan den afgod, en wordt hij schuldig bevonden, dan wordt het vonnis geveld, en zijne dienst niet zelden afgeschaft.’ - B. Constant, de la Religion II, pag. 32 volg.

Bladzijde 209, regel 13. ‘Allen zijt gij de eerste kindren van het eerste Godsverbond, enz.’

Zie in de Stemmen, V deel, bladz. 77 en volg., da Costaas opstel over: De vervulling des Ouden Verbonds door het Nieuwe.

Bladzijde 214, regel 3. ‘Man van Samos.’

Pythagoras, min of meer tijdgenoot van Zoroaster en Jeremia, de eerste eigenlijke Grieksche wijsgeer, geboortig van het eiland Samos, op de kusten van Klein-Azië.

Bladzijde 215, regel 10. ‘In de donkere spelonke wijst gij op het schaduwbeeld.’

‘De menschen leven hier op Aarde als in een spelonk, die een ruimen ingang voor het licht heeft. Nu moet gij u voorstellen, dat zij daarin leven van de kindschheid af met hals en beenen vastgebonden, om dáár altijd te blijven en altijd naar den kant te zien, welke van het licht is afgekeerd. Stel u nu voor, dat er achter hun rug een helder flikkerend vuur brandt en tusschen dat vuur en hen een weg is, waarop menschen met allerlei gereedschap en beeldwerk heen en weêr gaan, nu sprekende dan zwijgende. Nu zien immers de gebondenen slechts de schaduwen dier menschen en voorwerpen, welke op de overzijde der spelonk voor hunne oogen zich afteekenen. Maar deze schaduwen houden zij evenwel voor de menschen en dingen-zelven, en 't geen zij zien doen en hooren spreken, meenen zij dat door deze schaduwen geschiedt. Zóó nemen wij, zinnelijke menschen, den schijn voor het wezen der dingen; zóó moeten wij worden ontbonden en naar het licht gekeerd, om de dingen-zelven, in plaats van hunne schaduw, te aanschouwen. Anderen moeten ons daartoe losmaken, maar ook slechts langzaam naar het licht keeren, dewijl wij door plotselinge omkeering zouden worden verblind, en niets meer zien.’ - Plato, de Rep. VII.

Bladzijde 215, regel 15. ‘ Al het goede is u herinnring,’ enz.

Zie Plato in zijn Symposion. Vergel. Van Heusde, Initia, I, p. 107 sqq.

Bladzijde 216, regel 16. ‘'t Menschdom is van Gods geslacht.’

Zie Handelingen der Apostelen XVII : 28:

‘Wij toch zijn Godes geslachte.’

Deze woorden worden door den Alexandrijnschen priester Clemens, door Hieronymus, Chrysostomus en anderen, aan Aratus toegeschreven, een dichter en wiskunstenaar, die 278 v. Chr. leefde. De genoemde woorden zijn genomen uit het vijfde vers van zijn Epiesch Dichtstuk: Phaenomena.

Intusschen was Aratus de eenige niet, die zich aldus uitliet over des Menschen betrekking tot God. Euthalius heeft dan ook reeds opgemerkt, dat genoemde halve hexameter van Aratus eigenlijk van Homerus afkomstig is, waarschijnlijk uit een voor ons verloren geganen Hymnus. Verder komt hier Kleanthes in aanmerking, die te Athene woonde. Het vierde vers van een door hem aan Zeus gerichten Lofzang (Kleant. Hymn. in Jov. 5) luidt: ‘ἐϰ σοῦ γὰρ γένος ἐσμὲν.’ [‘wij zijn toch een geslacht uit U.’] Terwijl dezelfde gedachte, ofschoon dan in eenigzins andere woorden, is uitgedrukt in het volgende woord, dat ons onder de spreuken der Pythagoriërs (Aur. Pythagor.) bewaard is gebleven: ‘θεῖον γένος ἐστι βροτοῖσι.’ [‘een godlijk geslacht is den menschen.’]

Bladzijde 217, regel 4. ‘Op een hooge en heilge wet, Zelfs den Koningen gezet.’

Zie, b.v., Sophokles, in zijn Koning Oedipus, vertaling van Bilderdijk, pag. 92 volg.

‘Och, of my ware in al mijn daân En woorden en gedachten, Een zuivere onschuld toegestaan, Door 't vuriglijk betrachten Der heilige en onschendbre Wet, Ons tot een regelmaat gezet, En uit des hemels trans gesproten! De Olympische Monarch, geen sterfelijk geslacht, Heeft haar geteeld en voortgebracht, En heeft een godlijkheid als in haar opgesloten, Een godlijkheid, die door geen tijd Veroudert of verslijt!’

Alaar, regel 17. ‘“Een nieuwe vertroosting!” zóó zucht uit de zielen Een hoop tegen hoop, die een wonder verbeidt.’

Zoo, b.v., Plinius de Jonge, Epist. I, Cap. 12: ‘Aliqua magna nova solitia!’

Bladzijde 227, regel 3. ‘Nu vangt de Mensch, na droeven morgen, Zijn betere Geschiednis aan.’

‘Jezus Christus is voor de geschiedenis der natuurlijke Mensch-heid wat Adam was voor die der Natuur,’ zegt Godet. Niemand heeft dit denkbeeld zoo uitmuntend ontwikkeld als Steffens, in zijne Anthropologie.

Bladzijde 243, regel 2. ‘Een eerste en beste Lied.’

Een drukfout. Lees: ‘Een leste en beste Lied.’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De schepping · J.J.L. Kate · Poetry Cove