Bladzijde 130, regel 17.
‘Geboomten, boschaadjen Van wisslend plantsoen, Gekranst met pluimaadjen Van 't zuiverste groen.’
‘De Zee heeft, evenals het vaste land, zijne wouden met boomen en planten, zijne gaarden met schoone levendige bloemen, zijne onafzienbare weiden, waar kudden grazen. Men kent tegenwoordig reeds meer dan 2000 soorten van zeeplanten, meestal behoorende tot het geslacht van wier- of zeegras, wel zonder bloesem maar rijk aan verscheidenheid van vormen. Vele zeegewassen hebben bladeren van 40 voet, die prachtig in de golven wiegen. De olarién, b.v., schieten in een naakten stam omhoog, die in een bladerkelk en in één reusachtig blad van 40 voet lengte eindigt. Een bewonderenswaardige grootte bereikt de nereocystis, die vooral in Russisch-Amerika veelvuldig voorkomt. Uit een koraalachtigen wortel schiet een dunne, draadachtige stengel op, die naar boven altijd dikker wordt, tot de knodsvormige gedaante, bij een hoogte van 70 tot 300 voet, in een 6 tot 7 voet lange luchtbuis eindigt, uit wier spits een kolossale kroon van 30 tot 40 voet lange bladeren nedergolft. Deze reuzenplant groeit in eenige maanden op, sterft jaarlijks, en kiemt weêr van nieuws op uit haar zaad. Aan de noordwestkust van Amerika is de bodem der zee door een uitgebreid woud bedekt. Daar beneden ligt een schitterend tapijt, geweven uit tallooze groene waterdraden en violetkleurig paerelmos. Hierover breidt de laurentia pinnatifida haar groene sierlijke bladen uit; en daar tusschen schemeren de reuzenbladeren der iris als groote scharlaken of rozenkleurige mantels,’ enz. - Böhner, Kosmos, II.
Cookies on Poetry Cove