Skip to content
1869

De planeeten

J.J.L. Kate

Bladzijde 36, regel 14.

‘Aan de polen - twintig jaren 't Rijzend zonlicht, nauwlijks stralend.’

‘De eigenaardigé stand van Uranus ten opzichte van hare baan heeft ten gevolge dat de jaargetijden dáár in de grootst mogelijke mate verschillend zijn, dewijl de Zon die in het voorjaar en in den herfst in den aequator staat, en daar, even als bij ons, dag en nacht gelijk maakt, nochtans in haren zomertijd zóó hoog boven de pool klimt, dat deze haar op een hoogte van 79 graden ziet, even als de bewoners van den aequator in de lente en den herfst. Van het tijdstip af, waarop de Zon zich 10 à 11 graden boven den aequator verheft, ziet de Noordpool de Zon 42 jaren boven haren horizon, ziet haar in den loop van twintig jaren tot een hoogte van 79 graden rijzen en dan weder naar den horizon afdalen; en van het tijdstip van de nachtevening af, ziet zij haar 42 jaren lang in het geheel niet meer. Hetzelfde heeft in omgekeerden zin met de Zuidpool plaats. De Jaargetijden bieden dus hier de grootst mogelijke uitersten aan, doch voor het overige is het tamelijk onverschillig waar men op deze planeet woont. Van planten en schepselen, gelijk die welke wij op Aarde kennen, kan hier geen sprake zijn.’ - Dr. Zimmerman, De Aardbol.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De planeeten · J.J.L. Kate · Poetry Cove