Bladzijde 166, regel 14.
‘Gij zijt tot Sions Berg gekomen, Het Hemelsche Jeruzalem.’
Ontleend aan Hebr. XII: 18-24, alwaar de Apostolische schrijver de lieflijkheid en heerlijkheid van het Nieuwe Verbond schildert. De Christenen - zoo leert hij daar - zijn niet gekomen tot de plaats eener Wetgeving, maar in de Stad of het Rijk der Ver-zoening. ‘Belast,’ d.i. ‘tastbaar,’ heel daar de berg Sinaï, als een aardsche uit rotsmassa bestaande berg, in tegenstelling met den ‘Berg Sion’, waarmede niet de aardsche, geographische heuvel Sion, maar het Rijk van Christus bedoeld wordt, dat op zinnebeeldige wijze hier Sion heet, ‘de stad des levendigen Gods, het Hemelsche Jeruzalem.’ Dus wordt ook Gal. IV: 26 het Rijk van Christus genoemd. Dit, nù reeds aanwezige hemelsche Jeruzalem, is iets anders als het ‘Nieuwe Jeruzalem’ uit de Openbaring van Johannes, dat, naar zijne voorstelling, eerst nà Christus wederkomst op aarde gegrond moet warden. De ‘eerstgeborenen’ zijn de eerstelingen onder de wedergeborenen, de leden van het Nieuwe Verbond. Daar zij niet als ‘in den hemel zijnde’, maar als ‘in den hemel opgeschrevenen’ (Luk. X: 20, Fil. III: 20, enz.) aangeduid worden, heeft men hier niet te denken aan de reeds verstorven christenen, maar aan de nog levenden, die de Strijdende Kerk uitmaken, welke met de reeds ‘Triomfeerende Kerk’, (de reeds in den hemel gezaligden,) ééne Gemeente vormen. - Dr. J.H.A. Ebrard, Theol. Prof. Der Brief an die Hebraer erklärt, 1850 bl. 394, 395.
Cookies on Poetry Cove