Rei van engelen.
I Zang. Eere zij God In de hoogste heemlen!
Hoogste heemlen, zingt Gods eere! Aarde, voeg uw stem er bij! De eeuwenoude Beurtzang keere Met een nieuwe melody, Hem tot lof, der Heeren Heere! 't Eéne en Eeuwige Al is Hij.
I Tegenzang. Zonnen, Waerelden, Planeeten, Myriaden, loven Hem.
Ook geen enkele is vergeten: Elk met name, hoort Zijn stem... Aarde! hoe zijt gij geheeten? ‘Aller starren Bethlehem.’
Eere zij God! Eere zij God! Eere zij God in de hoogste heemlen!
II Zang. Was zij klein eens om te wezen In der starren duizendtal: Uit haar schoot is Hij verrezen, Die alom eens heerschen zal. Alle Sfeeren zingen mede 't Lied der Vreugde, God gewijd: De Aarde-alléén zingt Vreugde uit Vrede, Vrede uit Zege, Zege uit Strijd!
II Tegenzang. Andre luister is der Zonne, Andre glans der Maan bereid, Anders, uit der Lichten Bronne, Vloeit der Starren heerlijkheid: Dit is de eer die de Aard mag dragen, Dat hier Jezus' kribbe stond, Dat hier God een welbehagen In het kind des Menschen vond!
Vrede op Aarde! In de Menschen welbehagen!
III Zang. Lang bleef zij krank van zonde en zorgen; Maar wat heur Heiland achterliet,
Het Nieuwe Leven, eerst verborgen, Ontkend, miskend, toch stierf het niet! Het wies, door woede en waan bestreden, Gevoed door tranen en gebeden, Gedrenkt door kostlijk martlaarsbloed; Het worstelde om aan 't licht te komen, Door 't Godsbewustzijn opgenomen, Dat sterven of - verwinnen moet!
III Tegenzang. 't Verwon! - Zing, gij Aard, zingt, gij Hemelsche Chooren, 't Nieuw Kerstlied! Die eens in den vleesche verscheen, Kwam nu in den geest. In de harten geboren, Woont Christus, alomtegenwoordig, beneên! Hij heeft een gestalte in de Menschen verkregen: Hij leeft - in hun wetten, hun werken, hun wegen; De Huizen, de Volken, Zijn lichaam zijn zij. Hij-zelf is hun Leven en Eeuwige Zegen - Geen Kruis meer, en 't Graf is voorbij!
Vrede op Aarde! Vrede! Vrede! In de Menschen welbehagen!
Toezang. 't Is geschied! De kroon is d' Aard Boven háár gegeven, Die, in zustrenrei geschaard, De eigen zon omzweven! Door haar laatste Nachtgordijn Brak de volle Morgenschijn; En wàt verder kome, 't Moet ùw licht, o Middag, zijn... Dàt het òverstroome!
't Is geschied En 't zal geschiên! Alles in zijn orden Zal zijn Eindvolmaking zien, Meê tot Hemel worden.
Hoogste Liefde's wijs Geduld! U, die kalm Haar raad vervult, Doen wij 't Heilig schallen. God! Gij wilt, Gij kunt, Gij zult Alles zijn in allen.
Eere zij God In de hoogste heemlen! Vrede op Aarde! In de Menschen welbehagen!
einde van den epilogus.
amsterdam, 17 Oktober 1868
Cookies on Poetry Cove