Bladzijde 168, regel 15.
‘Eeuwen hadden zij den Heiden
met den broedernaam begroet,’ enz.
‘De blanke man heeft den olijfkleurigen en den zwarten onder de brandende zon op een verschroeide aarde voor zich doen arbeiden, voor zich doen kruipen, voor zich doen bloeden. Hy heeft den koperkleurige van zijne akkers en weiden verjaagd. Hy heeft den naam van het Christelijk Europa stinkende gemaakt in Azië, in Afrika, in Amerika, en op alle de eilanden. Hy heeft den Heidenen gebracht brandewijn, opium en de afschuwelijkste ziekten. Hy heeft met hunne vrouwen ontucht gepleegd onder elken groenen boom. Hy heeft hen met glaskralen verleid hunne kinderen te verkoopen. Hy heeft gezegd: zy zijn schapen der slachting’. - Dr. N. Beets, Des Christens schuld aan den Heiden.