Bladzijde 83, regel 14.
‘Wel zweemt gij 't meest naar onze Moederaarde,’ enz.
‘Van alle Planeeten heeft Mars de meeste overeenkomst met onze Aarde.’ - Böhner, Kosmos I. ‘De helling van den as der Planeet Mars op hare loopbaan is slechts weinige graden minder dan bij onze Aarde. Alzoo hervinden wij dan op haar bijna onze eigen verdeeling van luchtstreken en jaargetijden. Toch, wat de saizoenen betreft, met dit verschil, dat zij bijna twee maal zoo lang duren, omdat Mars bijna tweemaal zooveel tijd behoeft om hare baan rondom de zon te loopen. Hebben wij dus vier zomermaanden, zij heeft er acht, maar hebben wij vijf wintermaanden, zij heeft er tien. ‘Ook de oppervlakte toont gelijkvormigheid. Aan de polen blinken witte plekken, uitgestrekte sneeuwmassa's, maar aan regelmatige veranderingen onderworpen. Hoe helder, als het voor de poolgewesten winter is - hoe bijna onzichtbaar als 't daar eindelijk zomert! De dagen zijn er bijna als de onze, te weten van 24 uur 37⅓ minuut. Maar Mars, kleiner dan onze Aarde, is ook veel verder van de Zon, heeft dus en minder licht en minder warmte. Bijna zou zij een menschenwoning kunnen heeten; maar alle voordeelen dîe Mars op de andere planeeten vooruit heeft, bezit de Aarde in veel hooger mate, en van de ongerieflijkheden van Mars schijnt zij vrij. Om iets te noemen, de as der Aarde heeft juist zulk een helling, dat van elke meridiaan de helft gematigde luchtstreken doorsnijdt - de gunstigste denkbare verhouding - terwijl bij Mars slechts een derde gedeelte van elke meridiaan tot de gematigde luchtstreek behoort.’ - Dr. Ebrard, Nat. Hist. Briefe.
Cookies on Poetry Cove