Eerste zang
Prologus
De Aarde
In al zijn luister was de Kerstnacht wêergekomen. De rijp hing glinstrend aan de groene sparrenboomen, De starren blonken als in Bethlem-Efrata; December dekte met heur wollen winterwâ De levenskiemen, in den moederschoot der aarde Nu schijndood slapend. Zonder bloemen was de gaarde, En zonder vogels 't bosch. Maar 't helder feestlicht scheen Alom door de ijs-bloem der bevroren ruiten heen'. Waar achter schimmen zich bewogen, bij 't gemengel Van zilvren stemmen, luide en vrolijk, alsof de Engel
Der Herders daar op nieuw een Blijde Boodschap bracht. Zóó was 't! - De Kerstboom, als een wonder in den nacht Ontloken, straalde met zijn honderd sterrenlichtjens En wijgeschenken op de blozende aangezichtjens Der kindren, dansende om den ingebeelden schat. Wij, groote kindren, ook, wij hadden deel gehad Aan 't feest. De kerkklok had de vrome dorpsgemeente Voorbij de rustplaats van der dierbren lijkgebeente Naar 't heiligdom gelokt, dat van Onsterflijkheid En Weêrzien spreekt. Daar had, in heilge majesteit En 't aanschijn van den glans der geestdrift overgoten, Een andre Simeon het Levensboek ontsloten. ‘Ontsla Uw dienstknecht, Heer! in vrede; want zijn oog Aanschouwde Uw zaligheid.’ Dus, door den tempelboog, Weêrklonk het woord, dat mêe door alle harten trilde. Dàt was de zaligheid, die alle smarten stilde En alle vreugden wekte in wie haar ooit genoot: Hèm wel te kennen, die, van uit des Hemels schoot Des Heeren heerlijkheid uitstortende over de Aarde, Het goddelijk geheim der Liefde ons openbaarde!
Dàt was het toppunt van die Liefde, dàt de kroon Op al heur gaven: de Aard' de voetbank van Haar troon, De Aard', slechts een stipje' in 't heir der starren, jongstgeboren Uit millioenen, tot de woning uitverkoren Van d' Oudsten Zoon en heel een Goddelijk Geslacht, Door Hem aan 't Vaderhart als kindren weêrgebracht!
En toen op 't voorspel nu der zwellende orgelklanken, De schare omhoog rees om d' Oneindige te danken, Toen alles inviel met één groote jubelstem Als veler waatren: ‘Hoogste Heemlen, lofzingt Hem! Op Aarde vrede! en in de Menschen welbehagen!’ Toen was 't, of de echo, naar den hemel heengedragen, Welluidend wegsmolt in der Englen: ‘Gloria!’ En over 't kerkhof ruischte een fluistrend Amen na.
De schare ging uit één. Ik trad ontroerd naar buiten. 't Was stil nu. Slechts de wind blies met wanluidend fluiten Door 't naakt getakte van den treurwilg. 't Starrenheir
Zag uit de hoogte met een koude flikkring neêr. De maan verschool zich achter wolken. Door mijn leden Ging kille huivering. Ik struikelde op mijn schreden - Ik greep naar 't voorwerp waar mijn wankle voet op stiet: Een bekkeneel! Hoe nu, gij groeve! kunt gij niet Den roof bewaren, dien uw wreede honger gaârde? Is daar geen plaats der rust, noch òp noch ònder de aarde? Zoo moog' de zwerver, in den kalmen schemerschijn Der boekcel wonend', mijn memento mori zijn!
'k Zat peinzend bij den haard. De laatste vonken glommen In d' asch, waarop ik staarde. En 't kwam mij voor, als klommen Er schaduwen omhoog; en in heur schemering Verdween het kruisbeeld, dat nabij mijn sponde hing. Het doodshoofd grijnsde met de ledige oogenkassen Mij aan, en 'k hoorde een stem gelijk het nachtuil-krassen In de oude toren.... 't Is misschien een droom geweest - Maar 'k waakte met mijn hart, en luisterde in den geest:
‘Ginds, onder zooden Of marmeren zerk, Doet bij de dooden De Ontbinding haar werk: Heeren en slaven, Bozen en braven, Wijzen, dwazen, Klein en Groot, Alles slaapt in 't slijk der graven - Spotter van ouds, Communist is de Dood!
En dat geslachte, 't Gewormte ten buit, Streefde in gedachte Zelfs de Englen vooruit? Éénig in waarde Droomden zij de Aarde Onder aller Starren tal, - Of de zandkluit die hen baarde, Middenpunt ware van 't gantsche Heelal!
Hier, van de kroone Des Levens omstraald, Hier, zou Gods Zone Ter-neêr zijn gedaald? Hier, diep beneden 't Goddelijk Eden, Een verkoren Vaderhuis? Hier - het lot van eeuwigheden Zwijgend beslist aan... het hout van een Kruis?
Kindervertelsel! Uw waereld van slib, De Aarde, in het stelsel Der Zon, is een stip! En wat zelfs heeten Alle Planeeten Die om ééne Zonne gaan, Bij de gantsche Zonnen-keten?... Enkele droppels in d' eeuwge' oceaan!
Reuzige bollen, Met vlammenden gloor, Wentlen en rollen De Oneindigheid door! Zelf moogt ge u prijzen, Wie zal bewijzen, Aarde vol ellende en strijd! Dat, bij al Gods Paradijzen, Gij het Siberie der Schepping niet zijt?’...
Een hoonlach, als van een met God en Mensch te onvreden, In 's broeders schâ verheugd, verving de bittre reden, En klapprend sloten zich de tanden op elkaâr. Ik werd geen schijnsel in die oogen meer gewaar. De nevel week: 't gestarnt' scheen helder als zoo even Door 't raam.... Maar in mijn ziel was de angel nagebleven, En lang verloor zij zich in sombre mijmerij.
Daar ruischte 't. Iemand ging mijn aangezicht voorbij. Hij stond. 'k Zag niets, maar voelde - een Hemelsche Nabijheid,
Mij overstroomend met een onuitspreekbre blijheid, Als die bij 't weêrzien onzer dooden, of den groet Van geestverwanten in den Hemel wezen moet. Een zachte levensvlam verving de winterkilte Rondom en in mij; en dùs sprak de Hoorbre Stilte:
‘Hoe zoo mismoedig 't hoofd gebogen in den schoot? Daar is een Twijfel met de lippen van den dood, IJskoud en dor - maar óók een onverzaadlijk Streven Naar de Eeuwge Waarheid, dat een heimwee is naar 't Leven. Een weinig proevens voert van God af, maar 't genot Der vòlle kennisvrucht, Gods gave, voert tot God! Op welke bladzij' heeft uw bijbel u doen weten, Dat de Aarde, in 't middenpunt der waerelden gezeten, De kroon is van 't Heelàl? - Daar zijn in 't firmament Verborgenheden, die alleen de Schepper kent, Die mensch en engel een verbijstrend raadsel bleven. Van één mysterie is de sluier opgeheven: Van dat der Aarde en haar Planeeten! - In 't gezin Dier zustren neme zij niet d' eerezetel in,
Waarop heur Moederzon sints zestig eeuwen heerschte, - Naar zèdelijken rang en roeping is Zij de Eerste! Zij is de Hoofdstad dier Provincie uit het Rijk Der starren! 't einddoel en het toonbeeld te gelijk Dier Schepping, in wier kreits zij wandelt. Háár verblijden In de eerste plaats die Dag- en Nachtlamp, die getijden En jaren reeglen; ja, Gods wonderhand, wie weet? Ontstak ze om haar-alléén! bevoorrechte Planeet! Gezalfd of 't ware met des Scheppers welgevallen, Wel ééne uit vele, maar toch éénige onder allen, Volmaakte Type! En wat dien andren zusters wacht, Het wordt op de Aard, door de Aard, begonnen en volbracht!
't Onuitspreeklijk Opperwezen Is geen Verre Majesteit, Nimmer uit de rust verrezen Van een vorstlijke eenzaamheid: Geen gevoelloos Alvermogen, Dat Zijn waerelden als zand Sprenkelt uit gevulde hand,
Maar ze niet meer volgt met de oogen, Onverschillig waar en hoe 't Grillig lot ze dwarrlen doe! God is levend, eeuwig-levend, Maar ook uit Zijn overvloed Overstroomend, leven gevend, Goed als machtig, mild als goed. Onderscheiden, niet gescheiden Van wat door en tot Hem werd, Zoekt Zijn teederminnend hart Zich naar 't Schepsel uit te breiden. Daarom moeten in 't Heelal Wezens worden, Levens rijpen, Die iets van Zijn wil begrijpen, Die Hem minnen bovenal! Dàt vermag het Stof-gebied, Dàt, de Làger Schepping, niet! De Albezielende Gedachte In Gods werken gadeslaan, God vernemen, God verstaan,
Kan alleen een Godsgeslachte! Zoo de Geest zich mededeelt, Hij moet opgenomen worden Door verwante geesten-orden, Dragers van Zijn Zeedlijk Beeld, Die Hem met bewustheid loven, In hun vrijheid Hem-alléén Dienend door alle eeuwigheên! Dus - het Englendom daar Boven En - de Menschheid hier beneên! Slechts op dèze Schepslensoorte Die tot d' Eeuwge “Vader” zegt, Rust het koninklijke Recht En de Plicht der Eerstgeboorte, De andre schepslen al te saam' Tot hun laatste doel te leiden: God de glorie te bereiden Van Zijn naam. Hoe daarboven de Englen leven, Is slechts in hún sfeer bekend: -
Maar de Mensch, in de Aardsche dreven, Hij, uit ieder element Zijner waereld saamgeweven, Hij is met zijn hart en geest 's Waerelds oog, - dat alle stralen Opvangt die Gods eer verhalen, En op bergen en in dalen Wondervolle oraaklen leest; 's Waerelds oor, - dat alle klanken Van het eeuwig-godlijk Woord, Ieder toontjen, elk akkoord, 't Biddend smeeken, 't juichend danken Van het Lied der Schepping hoort; 's Waerelds mond, - die uit kan spreken Welk een band die nooit zal breken, 't Schepsel aan den Schepper bindt, Aan den Vader 't Menschenkind! Dies is hij - Gods Plaatsbekleeder, Hoofd en Heerscher der Natuur. Aarde, Water, Lucht en Vuur
Huldigen zijn rijksbestuur. Hoef en horen, vin en veder, Alle kruid en alle boom, Van den hyzop tot den ceder, Buigt, als in een Jozefs-droom, Voor zijn staf eerbiedig neder. In de grot der zeedolfijn Plukt hij paerlen on koralen; En zijn lamp van Aladijn Brengt hem in het hart der mijn, Bij den sprinkaâr der metalen, Die - voor hem geschapen zijn!... Zoo dan, in zijn Aardsche Woning, Groet, op 't allerhoogst gebod, 't Schepsel zijn verkoren koning, Zoon van Adam, zoon van God!
En als nu die woning van alle Planeeten - De hangende tuinen van 't Zonnepaleis! - Eens de éénige huizing en lusthof mocht heeten,
Voldoende aan den Mensch in zijn heiligsten eisch? Indien hij op Aard-slechts kon weten en willen, - Dus wonder bewerktuigd, zijn waereld in 't klein! - Naar lichaam en ziele zijn honger kon stillen, En drinken zijn teug uit Gods levensfontein? Als overal elders de waarheid en waarde, Heel 't doel zijner menschheid, verviel met zijn naam? Zeg, werd dan niet eensklaps die nederige Aarde De kern en de kroon van die waerelden saam'? Was 't dan nog een fabel, die dwazen misleidde, Die God, die op Aarde Zijn Beeldtnis hervindt, Die dààr zestig eeuwen de wieg van Zijn Kind, Het werk des Verlossers bereidde?...
Gij aarzelt nog? Welaan, gij twijflaar, kom en ziel’...
De woorden zwegen. Maar de zoete melodie Bleef trillen door mijn ziel.... Toen 'k plotsling scheen te zweven, Als in één punt des tijds veranderd, opgeheven Van de Aard'! Daar schemerde mijn dorpjen, met zijn kroon Van heuvelen, zijn kerk, zijn levenden en doôn.
In grauwe verte! - Naar de wolken ging het henen En door de wolken, van de wintermaan doorschenen Met glans van paerlemoer, gelijk in Zwitserland Wen 't licht u opzoekt door den grijzen gletscher-wand. Ik was verwonderd noch vreesachtig: - 'k voelde 't schragen Van een Onzichtbre Kracht en zachte vleugelslagen Waarop ik voortdreef, hoog en hooger. De opperlucht Was haast doorvlogen, als de eerste rustelooze vlucht Ietwat vertraagde, een Hand mij aanraakte, een gefluister Der welbekende Stem mij tegenaâmde: ‘Luister!’ De gantsche dampkring werd bewogen, en daar viel Een regen van muziek op mijn verdorde ziel.
Cookies on Poetry Cove