Bladzijde 107, regel 11.
‘Ze is heerlijk, des Levens Weldadige bron, Planeeten! uw moeder, De alvoedende Zon!’
De Zon, ‘het waereldlicht, dat in het midden blinkt,’ (zooals Copernicus het uitdrukt); ‘het albezielende, scheppende hart van het Heelal,’ (volgends Theon van Smyrna); ‘de voorname bron van licht en stralende warmte, de voortbrengster van vele aardsche elektro-magnetische werkingen, ja van het grootste gedeelte der bewerktuigde levenswerkzaamheid op onze planeet, inzonderheid van die van het plantenrijk,’ (volgends Alexander van Humboldt); het ‘algemeene midden- en uitgangspunt van ons Planeetenstelsel,’ (volgends allen): - de Zon is, naar het jongste systeem van Kosmogonie, de moeder der Planeeten. Men gelooft toch dat uit haar, op een wenk van den Grooten Werkmeester, de Planeeten, en uit deze de Wachters geboren zijn, en dat ook de komeeten en zoogenaamde lucht- en dondersteenen (aërolithen), uit de Zon zijn ontstaan. ‘De omvang der Zon is iets verbijsterends,’ heeft men te recht gezegd. Zoo wij ons de Aarde voorstellen als in 't hart der Zon geplaatst, gelijk de steen in een vrucht, zoodat beider middenpunt het-zelfde is, dan zou de geheele loopbaan van de Maan binnen het lichaam der Zon staan, zoo ongeveer ter halverwege, tusschen haar middenpunt en de oppervlakte. Het gewicht of de zwaarte is op de Zon 28 maal grooter dan op de Aarde. Zoo een volwassen mensch van eene hoogte, gelijk aan zijne eigene lengte, op de Zon viel, zou hij zoo zeker verpletterd zijn alsof hij zich op Aarde van een toren had geworpen. Indien men het bestaan van zonne-menschen zou willen aannemen, zou men hen niet anders kunnen voorstellen dan als kleine, brooze schepselen, licht en lenig, zooals het volksgeloof lucht- en boschgeesten voorstelt; of zooals Shakespere (in zijn Romeo en Julia) de toovergodin Mab afschildert (Bedr. I, Toon. IV). De Zon aldus, hoezeer de Moeder der Planeeten en misschien ook van onze Aarde, zou voor ons aardbewoners geen geschikte huizing zijn.
Cookies on Poetry Cove