Bladzijde 99, regel 18.
‘Tot elke nieuwe leerling Op zijne wijz' de daad herhaal' Van uw Zuidzee-bekeerling,’ enz.
‘Op het eiland Erromanga, een der Nieuwe Hebriden-groep, waar het afschuwelijk gebruik heerscht, het vleesch der gevangen vijanden te verteeren, werd in 1839 de voortreffelijke zendeling Williams vermoord en verslonden. Sedert vijftien jaren echter wordt er het Evangelie, niet zonder zegen, verkondigd. ‘Het grootste deel dier Zuidzee-eilanden-waereld bestaat uit Nieuw-Zeeland, eigenlijk drie eilanden, waarvan het tweede, Tavai-Poenamoe geheeten, het langste voor het Christendom gesloten is gebleven. Doch zie hier, op welk een merkwaardige wijze het Evangelie ook dáár doordrong. 't Gebeurde namelijk, dat een walvischvanger in dit eiland aanlandde. Het opperhoofd Rukuata kwam met twintig zijner lieden aan boord om handel met de schepelingen te drijven. In dien nacht keerde de wind plotseling om. De kapitein, die deze gunstige gelegenheid niet wilde laten voorbijgaan, zeilde af en nam de beman-ning van 21 koppen, het opperhoofd met zijn gevolg, mede, die hij op 60 à 70 mijlen noordwaards van hunne woonplaats in de Eilandbaai aan land zette'. Deze belangrijke baai, die door Britsche en Amerikaansche walvischvangers zeer druk bezocht wordt, is door twee voorgebergten ingesloten. De zendelingen in Paihia namen hen vriendelijk op en beloofde hen met hun zendelingschip wederom huiswaards te voeren. Eenige weken later zeilde dit schip dan ook werkelijk af. Doch het stormde zoo hevig en aanhoudend uit het Zuiden, dat men de overtocht moest staken, en terugkeeren. De winter met zijne Zuidelijke stormen was aangebroken. Eerst in den zomer kon men de overtocht hervatten om het opperhoofd met zijn gevolg terug te voeren. Dit gelukte. Doch den afgeloopen winter hadden de zendelingen niet nutteloos laten voorbijgaan. Zij hadden hunne gasten trouw onderricht. Drie jaren lang vernamen zij niets meer van hen. Maar in 1838 bragt een opperhoofd de boodschap mede uit het Zuiden, dat de inwoners aldaar Christenen geworden waren, den Zondag vierden, en zich tot de godsdienstoefening verzamelden. Een slaaf, die vroeger verscheidene jaren op de zendingspost Waimate gediend had, gaf daar onderwijs, en de meeste lieden konden lezen. Nu mocht men niet talmen: 29 bekeerlingen uit het Noorden werden als onderwijzers derwaarts gezonden. Zendelingen volgen weldra daarna. En ziet, zichtbaar rustte de zegen op dezen arbeid. In het jaar 1849 telde dat Eiland reeds 3000 be-keerlingen, zonder daarbij mede te rekenen de volwassenen en de kinderen, die toen nog onderwijs ontfingen. Hier is het geschied, dat een bekeerling zich een gezangboek afschreef met vloeibaar gemaakt buskruid, omdat hij geen inkt had! - Dat heet met recht speer en lans in sikkels en gereedschap des vredes veranderen. ‘Ook hier hebben de zendelingen het gebruik van ploeg en egge ingevoerd; akkerbouw, nijverheid en handel bevorderd. Inzonderheid is, sedert de toenemende Engelsche bevolking op deze eilanden, het handelsverkeer met Van-Diemens-land en Nieuw-Zuid-Wales daar sterk toegenomen. In Londen en Edinburg hebben zich genootschapschappen gevormd om de volksverhuizing van Engelschen en Schotten derwaarts te bevorderen, welk getal ongemeen is toegenomen nadat Engeland in 1840 formeel bezit van Nieuw-Zeeland heeft genomen. Sedert dien tijd ook is het Christendom aldaar volkomen gevestigd.’ - De Zendeling voor Stad en Dorp, Nieuwe Handwijzer, I. Jaargang, 20 Febr. 1854. No. 42.
Cookies on Poetry Cove