Bladzijde 10, regel 7.
‘Daar is een Twijfel met de lippen van den dood, IJskoud en dor - maar óók een onverzaadlijk Streven Naar de Eeuwge Waarheid, dat een heimwee is naar 't Leven.’
‘Wat is de twijfel van Faust? Niet de twijfel van het worstelend hart, maar de twijfel van het koude, liefdelooze, zich-zelf genoegzame verstand, dat nu noch immer tot waarheid leidt. Want het verstand, alleen gebruikt, is een gif, dat niet heelt maar ver-scheurt: voor bloote verstands-twijfel bestaan geen grenzen. Wie zal mijn verstand bewijzen, dat ik niet zelf een fantoom, een begoocheling van mijne eigene zinnen ben? dat wat ik taste of zie, wel waarlijk is? Ik zie toch de zon op- en ondergaan, en toch weet ik dat het niet zoo is. Welnu, kunnen aldus niet al mijne zintuigen mij bedriegen? En kunnen evenzoo niet al de zintuigen van alle menschen bedriegen? Zulk een twijfel, hetzij die dan betrekking hebbe tot God, of tot de waereld, of tot mijne eigene ziel, is een spel voor lediggangers. Wanneer Nathanaël, die naar het Godsrijk verlangt, van Jezus hoort, en nu, na zoo vele bedriegers, een nieuwen bedrieger vermoedt, en daarom niet eerder aan dezen Messias gelooven wil eer hij hem gezien heeft, opdat niet het smachtend zielsverlangen op nieuw misleid worde - dan is dat een eerlijke twijfel des harten. Als Perpetua, met haren zuigeling op den arm, met haren vader aan hare voeten, die haar bezweert haar leven te verschoonen, den marteldood voor zich ziet; als zij aarzelt wien te volgen, haren vader, wien zij het aardsche leven verschuldigd is en die haar bidt haar leven te behouden; of den Heiland, wien zij het leven harer ziel te danken heeft en die haar gebiedt haar leven te verliezen, dan is dat de nood eener worstelende ziel, dan is dat waarachtige twijfel des harten. Als, in het Nibelungenlied, de ziel van den edele Rudiger geslingerd wordt tusschen de Koningin, aan wie hij leenplichtig is, en tusschen de bloedverwanten, die hij vermoorden moet; als Luther, dag en nacht, door bittere aanvechting gekweld wordt, of het geoorloofd zij den bijl op te heffen tegen een door eeuwen geheiligde gewoonte van het Bijgeloof; als York in den molen bij Tauroggen den soldatenplicht die hem aan den Tyran verbindt, weegt tegen de ingeschapen liefde tot het Vaderland; als Bunyan jaren lang de marteling van een Prometheus lijdt door de vraag, of er voor hem al dan niet vergeving der zonden te vinden is - dan is dát twijfel des harten. Dan worstelt de ziel met God. En zulk een Twijfel leidt tot Waarheid. Hier geldt het den innigsten zenuw des levens, en instinktsgewijze grijpt de ziel naar de vastigheid, die alleen staande houdt op de wankelende aarde. Maar als Faust den bijbel openslaat, als hij het evangelie van Johannes begint te lezen - dat evangelie, dat juist het éénige is waarvan, naar de Middeneeuwsche legende, de duivel aan Faust de lezing verbiedt: het éénige dat, naar het oude volksgeloof, zulk een kracht bezit tegenover alle machten der Duisternis, dat het, op een blaadtjen geschreven en in het harnas verborgen, de krijgers onoverwinnelijk maakt - en als nu Faust, in plaats van voor zijn ziel datgene te zoeken waarnaar zij dorst, met het uitgestorven hoofd begint te expliceeren en te taquineeren, en bij den eersten regel twijfelend stil blijft staan, - dan is dàt een Twijfel die onvruchtbaar blijft. Op dezen weg ligt de ontbinding van het geweten, van den wil, en, daarmede, van het getuigenis Gods in het hart. Dáár wordt God tot een afgetrokken begrip, tot een ledig gevoel. “Gevoel is 't alles, naam is klank en rook!” zegt Faust, bij Göthe. Dàt is geen Godsdienst. Een God wiens naam slechts klank en rook is, kan niet geëerd, niet aangeroepen worde. Maar een God tot Wien men niet bidden kan, zal dien die op hem steunen wil, onder de hand wegzinken. Zulk een God is een ledig verstandsbegrip en als zoodanig eene golf onder de vele, die het onstuimig en wankelend menschenhart bewegen - geen rots!’ - Dr. P. Kleinert, Augustin und Goethe's Faust.
Cookies on Poetry Cove