Bladzijde 152, regel 1.
‘Eer, de oneindigheid door, God een cirkel beschreef, Stond de Wijsheid omhoog Reeds gezalfd voor Gods oog.’
Zinspeling op het beroemde hoofdstuk van de Spreuken Salomo's waar, bij persoons-verbeelding, de Wijsheid sprekende wordt ingevoerd, ‘als van goddelijken oorsprong, een ware hemeltelg, voedsterling der eeuwige almacht, en deelgenoote van het raadsbesluit der Schepping.’ (Van der Palm.)
‘De Heer bezat mij als de Eersteling Zijns wegs, Vóór al zijn werk, van eeuwigheid! Ik ben van eeuwigheid gezalfd, Van 's waerelds aanbegin, ja, eer de waereld was! Toen nog geen zeën waren, was ik geboren, Geen bronnen, zwaar van water;
Toen nog geen bergen waren ingevest, Vóór alle heuvelen, was ik geboren. Toen nog geen land, geen woeste gronden, Noch al het stof der waereld geformeerd was; Toen Hij de heemlen toebereidde, was ik daar! Toen Hij een cirkel trok langs 't oppervlak der zee; Toen Hij de wolken vastmaakte daarboven; Toen Hij de bronnen des Oceaans met macht beperkte, Toen Hij der zee haar grenzen stelde, dat De waatren zijn bevel niet overtraden; Toen Hij des aardrijks grondslagen vestte: - Toen was ik voedsterling bij Hem, En was Zijn verlustiging dag aan dag, En speelde voor Zijn aanzicht t' aller tijd, Speelde in de waereld Zijnes aardrijks, En mijn verlustiging was aan des menschen kindren.’
- Spreuken van Salomo. Hoofdstuk VIII: 22-31. (Vertaling van Van der Palm).
Cookies on Poetry Cove