Bladzijde 12, regel 8.
‘Onderscheiden, niet gescheiden,
Van wat door en tot Hem werd,
Zoekt Zijn teederminnend hart
Zich naar 't Schepsel uit te breiden.’
‘Het Christelijk Theïsme erkent God als boven alle dingen verheven, en toch alle dingen dragende door het woord Zijner liefde en almacht. Wanneer het dus spreekt van het zijn van God in de waereld, of van het zijn van de waereld in God, dan drukt het door de eerste dezer stellingen de levende en noodzakelijke werkzaamheid van God op het geschapene, - door de laatste, de even levende en noodzakelijke afhankelijkheid der waereld van God uit: door beide, de in Gods vrijmachtige wil gegronde levensgemeenschap tusschen Hem en al 't Schepsel. Hierin is 't hemelsbreed verschil tusschen Pantheïsme en Theïsme, dat het eerste een wezens-eenheid van de waereld en God aanneemt, het laatste alléén levensgemeenschap, waardoor het even ver van het Deïsme verwijderd is.’ - Dr. A. Tholuck, De wonderen der Kathol. Kerk, (in de Aanteekeningen.)