Skip to content
1836

Gedichten en rijmen

J.J.A. Goeverneur

III.

Hoe schoon was, Korsikaan, uw Frankrijk, door de stralen Der zon van Messidor verlicht! Het was een edel ros, wild, vurig, warsch van 't pralen Met purperlast en gulden wigt: Een merrie, breedgeschonkt, met grof gespierde leden, Nog rookend van der vorsten bloed, Maar vol van stouten trots en fier op 't koen vertreden Van elken dwang en overmoed. Nog nimmer had een hand haar schendig aangegrepen, Een scherpe spoor haar zij doorwoeld, Nog nimmer had haar borst de strakke stegelreepen Eens koenen vreemdelings gevoeld; Zoo, als zij, glansrijk wit, langs berg en vlakte dwaalde En vurig steigerde op haar baan,

Joeg de onverdoofb're gloed, die uit hare oogen straalde, Heur brieschen de aarde sidd'ring aan. Gij kwaamt; - naauw had uw blik haar' ranken bouw gemeten, Haar' loop bespied en ijz'ren kracht, Of, als gespierd Centaur, waart ge op den rug gezeten, Door zulk een last nog niet bevracht. Toen, - ha! wat woeste vreugd haar de oorlogsdonder baarde, De kruiddamp en het flikk'rend staal! - Tot renperk gaaft gij haar 't onmeet'lijk vlak der aarde, Tot spel een wereld in 't metaal. - Toen geen verâmen meer, geen dak, geen rust, geen wijken, Steeds kamp, steeds strijd met koude of gloed, Steeds klaut'ren over puin en opgedamde lijken, Steeds waden door een somp van bloed; Toen, in dien dollen rid van vijftien zonnekringen, Vergruisde ze alles in haar vaart, Stoof hollende over 't lijf der bleeke stervelingen, En delgde een gansch geslacht van de aard. In 't einde, mat en moê van zulk een' last te dragen, Van, tot Europe's verste strand, De rijken plat te treên, de volk'ren op te jagen, Gelijk de orkaan het dwarlend zand, Aamechtig, magteloos, den fieren nek gebogen, 't Bezwijken na, bij ied're schreê,

Bad zij heur' Korsikaan om rust, om mededoogen: - Doch, beul, gij spottet met haar beê! Gij dreeft de scherpe spoor nog dieper in haar lenden, Gij smoordet onder d' ijz'ren druk Der knie haar angstgeschrei en brijzeldet, bij 't wenden Der leizeels, haar de tanden stuk. Zij beurde 't lijf omhoog en keerde op 't slagveld weder, Doch daar, ontzield door 's vijands lood, Zeeg ze op een bloedig bed van schroot en kogels neder, En - bij dien val vondt gij den dood.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.