Skip to content
1836

Gedichten en rijmen

J.J.A. Goeverneur

V.

Gaat roemloos dan voorbij, gij, koningen der aarde, Die in den mensch een' broeder ziet; Gaat, wijzen, gaat voorbij, - wie immer lauw'ren gaarde,

Gij, goede vorsten, oogst ze niet! Vergeefs tracht gij het volk met gunsten te overladen, Vergeefs neemt gij 't zijn ketens af, En leidt het, zonder dwang en langs gebaande paden, Als stille kudde, naar het graf: Naauw wordt uw schutsgesternte in nevelen bedolven En schiet zijn laatste stralen neêr, Of van uw' naam en roem bespeurt men op de golven Des volksstrooms zelfs geen schijnsel meer. Gaat roemloos dan voorbij; gij moogt geen zuil verwachten, Het volk vergeet u na uw' dood, Want ach! 't vereert slechts hem, die moorden kan en slagten Met snijdend staal en morz'lend lood; Het mint den dwing'land slechts, die 't poelen en moerassen Met rotte lijken dempen doet, Den trotschen Pharao, voor wien het steenen tassen En piramiden bouwen moet. Het volk, - de straatdeerne is 't, die we in de kroeg zien zwieren, Waar zij den knaap in de armen trekt, Bij wien ze een ruige borst, een hals met breede spieren, Een oog, dat bliksems schiet, ontdekt; En die, op 't harde kot van stroo en varenbossen, Voor hem slechts heete liefde voedt, Die haar den ganschen dag door ranselen en rossen Aan zijne voeten krimpen doet.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.