II.
Zie daar Napoleon! Zie daar zijn beeld herrezen! Helaas! de dorre lauwerblaân Diens mans, met de ijz'ren borst en 't norsch geplooide wezen, Wat hebben ze ons met schimp belaân! - Het was een droeve dag - en met beschaamde wangen Neeg Frankrijk 't hoofd, toen m' aan den top Dier zuil het oude beeld, gelijk een' dief, zag hangen Aan een' verachtelijken strop.
Men zag een' woesten hoop van vreemden zich verdringen, Om, onder dof hoera-geschal, Met kabel en katrol het magtig brons te dwingen, Dat waggelde op zijn pedestal; Tot eind'lijk, daar de kruin van 't vorstelijk gevaarte Voor 't heiligschennend pogen bukt, En 't koud metalen lijk met morzelende zwaarte Het sidderend plaveisel drukt: De Hun, de ontmenschte Hun, met zegevierend honen, Zijn lage wraak den teugel viert, En 's Franschen keizers hoofd voor 't oog van Frankrijks zonen Langs d' afloop der riolen sliert. Ach! wien een kloppend hart de linkerborst doet jagen, Hem drukt die dag als vloek en schuld; 't Is de onuitwischb're smet, die we op het voorhoofd dragen, Tot dat het lijkkleed ons omhult. Ik zag den vreemdeling met onze marmerstukken Zijn' loggen wagentrein belaan, 'k Zag hem de groene schors van onze boomen rukken En voor zijn rossen nederslaan; Ik zag den ruwen zoon der barre Poolgewesten Ons zweepen, wat zijn arm vermogt, Zich mesten met ons brood, ons tot de lucht verpesten Door zijn verschroeiden ademtogt;
'k Zag, jonge Franschen! 'k zag verachtelijke boelen, 'k Zag vrouwen, bij haar schande schoon, Voor 't oog van een' Kozak haar boezems open woelen, Hem beed'len om - - 't veracht'lijkst loon!! Wel nu, in al dien tijd van hoon, van schimp, van schande, Van smaad, dien niemand dulden kon, Was 't enkel tegen hem, dat ik in woede ontbrandde....... O, wees gevloekt, Napoleon!
Cookies on Poetry Cove