Skip to content
1836

Gedichten en rijmen

J.J.A. Goeverneur

II.

De vervulling.

Wanneer de nacht zijn zwarte vlerk Ter neêr spreidt op de onstuime vloeden, Die, door een' noodstorm aan het woeden, Nu steig'ren tot aan 't vliegend zwerk, Dan weêr, ten afgrond ingedreven, Het sling'rend, hortend, krakend schip Met ziedend golvenschuim omgeven En 't smakken doen op rif en klip, - Dan hooren soms de schepelingen, (Zoo zegt men), trots 't geloei der zee, Een angstgehuil, een snerpend wee Door 't buld'ren van de orkanen dringen.

Bij 't flikk'rend vuur der bliksemschicht, Die kronk'lend lucht en zee verlicht, Ontwaart hun oog op 't eind der baren Een zwarte kiel, wier ligte spriet, Een pijl gelijk, den boog ontvaren, Door 't woedend zeeveld henen schiet. Het scheepsvolk slaat met angstige oogen Het nad'ren van dien steven ga; ‘God sta ons bij! 't Is ons reeds na! Het Zwarte Schip komt aangevlogen!’ Zoo stamelt aller bleeke mond En smeekt den Vader in den hoogen Om bijstand in zoo bangen stond.

Steeds luider wanhoopskreet doorboort Hun luist'rend oor; de bliksem gloort: Wat zien ze? 't spookschip, voorwaarts hollend, Laat ijlings de oude sloep van boord, Die, Hollands vale vlag ontrollend, In spijt van wind en zee en vloed, Met bliksemsnelheid tot hen spoedt. Zij naakt; - zij klampt; - de wrakke haken Slaan dreunend vast in wand en plank, En met een' doffen jammerklank Is 't, dat de doemelingen naken.

God! Geeft het graf zijn prooi weêrom? Die uitgeteerde, bleeke drom, Die met de lijkkleur op de kaken Uit de oude boot te voorschijn dringt, De dorre handen huilend wringt, Zijn 't geesten, die bij nachtlijk duister, Ontslagen van de zware kluister, Waarin de dood hen hield geboeid, In storm en nevel ommewaren, Totdat de morgenscheem'ring gloeit?

Daar treedt er een met grijze haren Te voorschijn uit den digten kring; Zijn dragt tuigt van vervlogen jaren; Zijn blik, die zielloos rond blijft staren, Verwekt een kille huivering. Een lach omspeelt zijn holle koonen, - Een lach, die ieder ijzing baart! - Nu hij de kleuren weêr ontwaart, Die zich op Hollands vlag vertoonen. Hij reikt de dorre hand ten groet Den stuurman, 't scheepsvolk te gemoet, Maar niemand strekt een hand hem tegen, Maar niemand, die de zijne omvat:

Ze is rood met menschenbloed bespat!

‘Weest welkom!’ hoort men van zijn lippen Een' hollen, somb'ren graftoon glippen; ‘Weest welkom, landsliên, weest gegroet! Zoo lang reeds hebben we op den vloed Geen vaderlandsche kiel ontmoet, Geen mensch aanschouwd, die kond kon geven Van 't vurig aangebeden land, Waar velen, duur aan ons verpand, Waar gade en kroost en magen leven. Eens naakten wij dat dierbaar strand: Een storm heeft ons teruggedreven; Sinds zoeken wij het vrucht'loos weêr, Ons oog blijft er vergeefs naar staren, Wij zwalpen hulploos op de baren En weten raad noch uitkomst meer. Doch nu, de rampspoed is geleden, Vergeten 't uitgestaan verdriet! Nu zullen we eind'lijk weêr 't gebied, Dat Willems vuist beschermt, betreden! Wij zien hem weêr, den dapp'ren vorst, Die Spanje's ijz'ren juk verbreken En Hollands regten schutten dorst! Laat, landsliên, ons niet vruchtloos smeeken;

Huist melijden in uw borst, Dan voert ons spoedig naar die streken, Waar alles, wat ons hart bemint, Waar ouders, vrienden, gade en kind, Waar allen, die ons dier zijn, wonen! Wij kunnen vorst'lijk u beloonen, Wij hebben geld en goed en schat, De helft van 't geen ons schip bevat, Zij 't uwe, hoort gij onze bede; Ons tal is klein en breed uw boot, Brengt ons terug naar Hollands reede, En 't loon zal heerlijk zijn en groot!’

Hij zwijgt. Elk hoorde 't angstig aan, Het woord, dat van zijn lippen vloeide; Maar, schoon op veler wang een traan Van meêlij en ontferming gloeide, Zijn zoekend oog dwaalt vrucht'loos rond, Poogt vruchtloos op des scheepshoofds mond Een woord van zoeten troost te ontwaren. ‘Spreekt,’ kermt hij, ‘spreekt, gij hoort mijn beê, 'k Bezweer u bij dees grijze haren, 'k Bezweer u, landsliên, voert ons meê, Erbarmt u! Neen, dat duld'loos wee, Wij kunnen, willen 't niet meer dragen!

Ontzielt ons, rijt ons 't lijf in twee, Geen marteling zal ons versagen, Maar wijken, neen, geene enk'le schreê!’

‘Zwijg, grijsaard! Spaar uwe ijd'le klagten!’ Voert thans hem 't scheepshoofd te gemoet; ‘Wij kunnen 't oordeel niet verzachten, Dat u Gods Almagt lijden doet. Die God is liefderijk en goed, Van Hem slechts moogt gij uitkomst wachten, Hij slechts kan redden uit den nood; Ons wacht vernietiging en dood, Zoo wij 't ons roekeloos vermeten. Wij kennen u, wij allen weten, Welk lot de Hemel u beschoor; Sinds eeuwen ploegt ge 't zeeveld door En tuurt vergeefs naar Hollands kusten. Wat zoekt ge er? Kind en echtgenoot? Gij vindt ze er niet! - Sinds eeuwen rusten Ze in 's aardrijks diepen, stillen schoot; Zoo menig nieuw geslacht ontsproot En werd weêr 't offer van den dood, Sinds gij, ter prooi aan vloed en baren De zee doorkruist......’

‘Gij liegt, barbaren!’ Zoo gillen de armen 't uit, en treên, De hel in 't oog, om 't scheepshoofd heen. ‘Gij liegt! Zij leven! - Lange jaren Verbeidden ze ons met droef geween, Maar stierven niet! - Verlaten zwerven Ze op 't woest en eenzaam zeestrand rond En vragen, met bestorven mond, Naar man en vader, dien zij derven; Maar sterven? - Neen! Wij stierven niet En waarom zouden zij dan sneven? In 't vaderland knaagt dat verdriet, Die helsche wroeging niet aan 't leven, Die vlijmend ons het hart doorboort; Dáár leeft men kalm en rustig voort..... Wij âmen nog! - Mogt God het geven, Dat ons de dood - - maar, ijd'le waan! Er kan, er mag geen God bestaan! Wij hebben hem om hulp gebeden, Met tranen 't heilig beeld doorweekt: Hij hoorde 't niet! - den dood gesmeekt: Vergeefs! - Wij hebben onze leden Met riemen tot op 't been doorwroet, Maar vruchtloos vloot ons gudsend bloed: Hij zag het niet! 't Is priesterlogen,

Geen Godheid leeft! Neen, 't is geen God, Die straffeloos het kan gedoogen, Dat men hem lastert, hem bespot! Wij deên 't, wij vloekten hem, wij baden Zijn gramschap af, geen bliksemstraal Verloste ons van de onduld'bre kwaal, Waarmede 't Lot ons heeft beladen! Wij hebben in den oceaan Ons afgemarteld lijk bedolven: Geen rustplaats boden ons de golven, Een grimmig spooksel greep ons aan En sleurde ons weêr terug in 't leven. - Dat schrikbeeld volgt alom ons spoor En grijnst ons honend in het oor: “Nooit, nooit zal ik u ruste geven!”.... Ha! Zie het ginds te voorschijn zweven, Daar ginds! Reeds breidt het de armen uit, Het wenkt, - zijn vloek boort door 't geluid Der ratelende donderslagen, - Ha, 't roept! Maar neen! geen goochelspel, Geen ijdel vloekgedrogt der hel Zal ons van deze kiel verjagen! Reeds nad'ren wij het vaderland, Reeds zien wij, op het verre strand, Onze arme kind'ren om ons weenen,

Zij strekken de armpjes naar ons henen, Wij komen.... God! neen, makkers, ziet, Die kind'ren, neen, 't zijn de onze niet! Die moeder, die met nokkend stenen Aan de ijslijk opgereten borst De lijken van haar kind'ren torscht, Zij noemt ons - moorders! Ja, wij bluschten De vonk des levens in haar borst, Wij deên na bitt're zorg haar rusten, En toch, zij vloekt ons? - Zalig zijn, Die vroeg, die spoedig mogen sneven En van der wroeging folterpijn, Die langzaam 't hart doorvlijmt, ontheven, Ter ruste gaan in 't vredig graf! Wij hebben 't lang genoeg geleden, Neemt, landsliên, ons de kluisters af, Die ons aan 't duldloos leven smeden! Wij zeg'nen u, geen vloekgebeden Vervolgen u, schenkt ge ons den dood; Gods rijkste zegen volgt uw schreden; Hij wil: wie schuld'loos bloed vergoot, Diens bloed moet m' op zijn beurt vergieten, En wij - Guinéaas kust is rood Van 't schuldloos bloed, dat wij deên vlieten. Wij vord'ren wraak en straf en dood,

Wij zijn vervloekt, zijn moordenaren, Geens moorders leven moogt gij sparen! Wij wijken niet! Aan 't vaderland Zult gij ons dor gebeent' vertrouwen, Of levend zullen wij 't aanschouwen, Wij wijken niet!’ - - -

‘In naam van God, Den Opperheer van dood en leven, Rampzaal'gen! wijkt van dezen steven!’ Roept nu het scheepshoofd. - Voortgedreven Door hooger, onweêrstaanb're magt, Klemt zich de schaar met reuzekracht Aan stang en mast; maar ijdel streven! Die magt sleurt hen verheerend voort; Hun krijschend angstgehuil versmoort In 't stormgeloei. En schip en golven, 't Is alles weêr in nacht bedolven.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Gedichten en rijmen · J.J.A. Goeverneur · Poetry Cove