13. Tien en drie is dertien.XIII.
'k Ben in 't rekenen bekwaam;
Zegt Adolf, die kleine guit,
Tien en drie maakt dertien uit;
Tien en vier maakt veertien saam.
Driemaal vijf is vijftien boeken
Zie ik daar in een der hoeken.
Zestien flesschen op een rij
Zie ik daar aan de andre zij.
Tien en zeven lekkre wafels
Liggen ginds op een der tafels;
Zal men tot de bakster zeggen,
Dat ze er twee nog bij moet leggen,
Dan krijgt gij er tien, en ik
Ben met negen in mijn schik.