10. Negen en een is tien.X.
Dat vijf en vijf, of tweemaal vijf is tien,
Kan ik wel aan mijn vingers zien.
Ik heb mijn vingers maar te tellen;
Ook wijzen 't mij mijn voeten aan.
Tel ik de menschen, die daar gaan,
Dan mag ik vrij vooronderstellen,
Dat zij en ik tien oogen hebben met elkaar,
Zij met hun vieren acht, mijn twee zijn ook een paar.