Urbanus beschouwt met zijnen vader het Uitspansel.
De Vader
Merk toch op, mijn lieve Zoon!
Welk een pracht,
Het gesternte spreidt ten toon,
In den nacht.
Wil daardoor Hem kennen leeren
En vereeren,
Die, door onbeperkte magt,
't Al uit Niet heeft voortgebracht.