Skip to content
1848

Oude Vlaemsche liederen

J.F. Willems

Nieuwe Wyze.

1 Wilhelmus van Nassouwen Ben ik van Duytschen bloet, Het Vaderlandt getrouwe Blijf ik tot in den doot, Een Prince van Oraengien Ben ik vry onverveert, Den Coninck van Hispaengien Heb ick altijt ghe-eert.

2 In Godes vrees te leven Heb ick altijt betracht, Daerom ben ick verdreven Om Land en Luyd' ghebracht; Maer God sal my Regeeren Als een goet Instrument, Dat ick mach wederkeeren In mijnen Regiment.

3 Lijt u mijn onderzaten Die oprecht zijn van aert, God sal u niet verlaten, Al zijt ghy nu beswaert. Die vroom begeert te leven Bidt Godt nacht ende dagh, Dat hy my cracht wil gheven Dat ick u helpen mach.

4 Lijf end goet al-te-samen Heb ick u niet verschoont; Mijn Broeders hoogh van namen Hebbent u oock vertoont; Graef Adolf is ghebleven In Vrieslant in den slach: Sijn Ziel int Eeuwich Leven Verwacht den jongsten dach.

5 Edel en hoogh gheboren Van Keyserlijcken Stam, Een Vorst des Rijcks vercoren Als een vroom Christenman,

Voor Godes Woort ghepresen, Heb ick, vry onvertsaeght, Als een helt, sonder vreesen, Mijn Edel Bloet ghewaeght.

6 Mijn schildt en mijn betrouwen Zijt ghy, O Godt mijn Heer! Op u soo wil ick bouwen, Verlaet my nimmermeer. Dat ick doch vroom mach blijven U Dienaer t'alder stont, De Tyranny verdrijven Die mijn herte doorwont.

7 Van al die my beswaren, End' mijn vervolgers zijn, O Godt wilt doch bewaren Den trouwen Dienaer dijn, Dat sy my niet verrasschen In haren boosen moedt, Haer handen niet en wasschen In mijn onschuldigh Bloet.

8 Als David moeste vluchten, Voor Saul den Tyran, Soo heb ick moeten suchten Met menigh Edelman: Maer Godt heeft hem verheven Verlost uyt aller noot, Een Coninckrijck ghegheven In Israël soo groot.

9 Nae 't Suer sal ick ontfanghen Van Godt mijn Heer dat Soet: Daer naer soo doet verlanghen Mijn Vorstelijck ghemoet, 'Twelk is, dat ick mach sterven Met Eeren in het Velt, Een eeuwig Rijck verwerven, Als een ghetrouwer Heldt.

10 Niets doet my meer erbarmen In mijnen wederspoet, Dan dat men siet verarmen Des Coninghs Landen goet, Dat u de Spaengiaerts krencken, O Edel Neerlant soet, Als ick dat gaen bedencken, Mijn edel hart dat bloet.

11 Als een Prins opgheseten Met mijnes Heyres Cracht, Van den Tyran vermeten Heb ick den Slagh verwacht. Die, by Maestricht begraven, Bevreesden mijn ghewelt. Mijn Ruyters sach men draven Seer moedigh door het velt.

12 Soo het den wille des Heeren Op dien tijt had gheweest, Had ick wel willen keeren Van u dit swaer tempeest; Maer den Heer van hier boven, Die alle dinck regeert, Die men altijt moet loven, En heeft sulcx niet begheert.

13 Seer Christlijck was ghedreven Mijn Princelijck ghemoet; Stantvastigh is ghebleven Mijn hart in teghenspoet; Den' Heer heb ick ghebeden Uyt mijnes herten gront, Dat hy mijn saeck wil redden, Mijn onschult doen oorkont.

14 Oorloff, mijn arme Schapen, Die zijt in grooten noot! U Herder sal niet slapen Al zijt ghy nu benout.

Tot God wilt u begheven! Sijn heylsaem woort neemt aen, Als vrome Christnen leven: Tsal hier haest zijn ghedaen. prince.

15 Voor God wil ick belijden, Ende sijner grooter macht, Dat ick tot gheenen tijden Den Coninck heb veracht; Dan dat ick God den Heere Der hooghster Majesteyt Heb moeten obedieren, In der gherechtigheyt. De beroemde Marnix van Sint-Aldegonde wordt te regt voor den opsteller van dit lied gehouden: zulks getuigt een tydgenoot, Willem De Gorter van Antwerpen, geboren in 't jaer dat Marnix burgemeester dier stad was. Zie myn artikel in het Belgisch Museum, I, bl. 372. Veel is er over dit lied geschreven. Ik bezit I. Verhandeling over den oorsprong en de lotgevallen van het liedeken Wilhelmus van Nassouwen [door G.J. Gales]. Amsterd., 1795, in-8o; - II. Het origineele Volkslied Wilhelmus van Nassouwen, deszelfs oorsprong, vermoedelijke dichter en noodige opheldering. Leyden, 1813, in-8o; - III. Het oude Volkslied Wilhelmus van Nassouwen, opgehelderd door eenige Aanteekeningen van G.D.J. S[chotel]. Leiden, 1830, in-12; - IV. Over het Volkslied Wilhelmus van Nassauwen, door R.H. Van Someren, met eene Bijdrage door Mr P.A. Brugmans. Utrecht, 1834, in-8o; - V. Gedachten over het oude Volkslied Wilhelmus van Nassauwen en den vervaardiger van hetzelve, door G.D.J. Schotel. Leyden, 1834, in-8o. De oude melodie staet in den Nederlandtschen Gedenck-Clanck, door Adrianum Valerium. Haerlem, 1626, langwerpig 4o, bl. 46. Er zyn zooveel coupletten als er letters voorkomen in Willem van Nassou, en elk couplet begint met eene letter van dien naem. De wyze van Charles (sommige drukken hebben van Chartres) schynt die van een oud jagtlied geweest te zyn. Zie Hoffmann von Fallersleben's Horae Belgicae, II, bladz. 100.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Oude Vlaemsche liederen · J.F. Willems · Poetry Cove