Antwoord.
BLyschap bevang sijn hert, het sal van vreugd opspringen, Den Heere sal hy lof, met Psallemen gaan singen, Door dien hem is tot heyl, een Ega toegevoecht, Waar in hy boven al ten vollen is vernoecht.
Wanneer een brave Stadt, in deucht, en roem sal bloeyen, Daar moet voor alle dingh een eedle Wet ingroeyen, Een Wet, die yeder een, verbint tot dienst, en trouw. Door wijsheyt wort een huys een Koninklijck Gebouw. Met kloekheyt sal den Man den Scepter wel regeeren, Maar dwaas heyt sal sijn lof, tot nietigheyt verteeren. Door vrede sal sijn huys opwassen als een bloem, Door twist verdwijnt sijn eer, en kostelijke roem. Hy als een Yveraar, door eer, en deucht floreeren, Waar naar het huysgesin sich heeft te reguleeren. Hy strecke als een Spoor, tot heyl en saligheyt, Om dat hy tot een Hooft des huyses is geleyt. Sijn Vrouw die hem van God, tot bystant is gegeven, Amorosius. Die sal hy als een Vrouw, niet als een Meyt beleven. Hy sal haar, als hem self, beminnen na de kunst, Dus krijgt hy uyt haar hert een lieffelijke gunst. Hy stoote met sijn voet om ver de hinderpalen, Soo sal hy lof en eer in eeuwigheyt behalen. Hy neem haar by der handt, en ley haar tot de deucht, En zy haar soet vermaak, en troostelijke vreucht. Wanneer hy wil den draat van trouwigheyt verlengen, Soo sal hy (om sijn trouw) met Niemant hem vermengen, Godts eere wort gekrenkt, ja 't huwelikx verbont Door bloetschant heel en al verbroocken in den gront. Hy woone met verstant in 't midden sijner deuren, Op datmen daar Gods heyl, en waarheyt magh bespeuren. Hy zy sijn Vrouw, een stut, een rots, een vastigheyt, Hy zy als een Pylaar, waar op haar swakheyt leyt. De liefde tot sijn Vrouw, en sal hy nimmer sparen, Wanneer hy braaf wil sien de deucht en Godsvrucht paren. De tweedracht als de pest, en boos heyt, moet hy vlien En val haar niet te hart met kijven en gebien. Hy sal het swakste vat in 't minste niet verachten, Haar fouten sal hy met sachtmoedigheyt verzachten, Natuur zy hem een wet, tot dekken van haar quaat, Wat Man ('k noem geen Tyran) heeft oyt sijn vleesch gehaat? Hy neem voor 't slaan van 't Wijf't exempel der Barbaren, Die sullen hem dees kust heel anders leeren varen, Door dit soo steegh het quaat tot boven in den top, Soo dat hy voor sijn Recht ontsing een galge-strop. Hy stel sich tegen twist, gelijk een Gods-gesant, en Sal ook sijn jonge Jeucht Godtsaligheyt inplanten, Op dat sy 's Vaders stap, en seden volgen naar, Omhelzen eer en deugt, geschaakelt aan elckaar.
Het heerschen van de Jeugt vereyst een stadig weezen, Haar tweede straffe; moet sijn aangezicht, doen vreezen, Maar al te fel en straf, en moeter niet geschien: Want dat doet menig kint van deugt tot ondeugt vlien. Sijn boden moet hy oock sachtsinniglijk regeeren, Op dat sijn waardigheyt en eernaam mach vermeeren, Hy ley haar op het padt, der ware saligheyt, En wijze haar den Wegh, die na den Hemel leyt. Hy weere dat sijn hert sijn tongh niet komt verrassen, 't Is oneer voor een Heer op knechts te hassebassen; Ja matigh op sijn tijt, dat past een deugtsaam Man, Maar 't knorren alle daagh, is d'aart van een Tyran. Indien hy in 't Gebodt des Heeren niet wil doolen, Soo zy hem zorg, voor Vrouw, en Kindren aanbevoolen. Want waar dees plicht niet is, daar is de liefde doot, Dus 't past een Christ'lijk Man, te kampen voor de noot. Hy laat hem, noch door list, noch schijn van soete woorden, Vervoeren, door een Vrouw, na 't westen, en na 't noorden, VVant Achab (door een woort geschoren van de kam)Achab door de vleyende Jezabel omgepraat heeft Naboth het leven benomen. Verrukt soo dat hy trots den Helt het leven nam. De rechte Bron, waar uyt dees waterstroomen vloeyen, Is dat het waar Geloof, moet in haar herten gloeyen. Gelijkheyt in 't Geloof, is 't punt daar 't al op draayt, Oneenigheyt hier in, maakt al den hoop bekaayt. Dogh heeft hy in dit stuk, een Vrouw, hem heel verscheyden, Hy breecke daarom niet de banden van haar beyden, Maar doe gelijk als voor; beweeg haar tot afstant, En tot de rechte born van 't eeuwigh Vaderlant. Doch slaat sy 't in den wint, en grouwelt voor sijn oogen, Hy spreek haar harder aan maar wil sy 't niet gedoogen? Ist oly in het vyer? hy kies voorzichtigheyt, En bid de goede God, te stieren het beleyt. Men sal sijn eedel hooft, dan kroonen met Laurieren, En sijn gekronkelt hayr, met Loveren vercieren, Sijn Naam sal zijn een Lof, tot in der eeuwigheyt, God schenk hem dan hier na sijn rijcke heerlijkheyt.
Cookies on Poetry Cove