Skip to content
1663

Parnassus aan 't IJ

Jan Zoet

Antwoord.

WAnneer de Nood ons perst tot sulcken droevigh stuck, En met een felle drift ons dapper aen komt randen, Soo datmen een van drie mocht trecken in 't geluck. De Vraagh is, wie men sou verlossen uyt haer banden? De Moeder, die met smart ons inde werelt braght, En oock een langen tijdt in 't lighaem heeft gedragen, Die, segh ick, heeft verdient; wat doch? dat dagh en nacht, Voor die ons 't leven gaf, wy oock het leven wagen; Maer als ons tot ons deel geschoncken word een Vrouw Van God de Heyl-fonteyn der ware liefde-bronnen, Haer staet ons, na de wet, te volgen met de trouw. Schoon dat zy als Heleen na Troyâ wierd geronnen. Door 't huwen van een Vrouw verlaet hy 's Vaders huys, En waght met danckbaerheydt den Goddelijcken zegen. Hy red sijn Ega, voor sijn Moeder, uyt het kruys, Beschermt haer met de liefde, een Konincklijcken degen. Want trouw maekt twee tot een, te vooren twee, niet een En breekt dan op een sprong de vaste knoop der Ouders; Dan strekt, natuur een spoor, om eygen vleesch en been Te trecken uyt den Ramp met opgeheve schouders. VVat Koning wil sijn Kroon besien met bloed bespat, En in des Vyandts handt sijn Scepter achterlaten; Dus oock in 's werelts rond, noyt Man sijn trouw vergat. VVie sal in sulcken saeck sijn eygen selven haten. Men twijffelt aen 't gekies niet in soo 'n droeven stand, Ten sy sijn ted're ziel door weedom wierd verslonden; De God des Heyligdoms heeft in sijn woordt geplant, Dat twee, tot een, door trouw, onscheyd'lijck zijn verbonden.

Hoewel de liefde tot sijn kleen-gebooren Spruyt Is diep in 't hert gedruckt, nochtans soo moet hy keuren Sijn eygen Vrouw, wanneer het Echt-verbondt niet stuyt, En 't voordeel van het Land geen schade kan gebeuren; VVant als een jonge Vorst, die erver is van 't Rijck Sijns Vaders, tot profijt van Landen is gebooren, Men sou 't gemeene best dan kiesen; want gelijck Het best is, dat een sterft, dan veele gaen verlooren; Doch anders treck hy vry sijn Vrouwe uyt de kracht Der Rechters; en hy pas in 't minste niet te dwalen, VVanneer Hem na sijn wil geschoncken word de maght Om een van alle drie in vryigheydt te halen: Dan zietmen, dat sijn hert, sijn waerste pand toe-lacht, VVanneer Hy in haer schoot sijn trouwigheydt laet dalen.

Fidem Spiro.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Parnassus aan 't IJ · Jan Zoet · Poetry Cove