Antwoord.
HY yver boven al in Godes woort en wet, En dien getrouw van hart, den Schepper die hem 't leven En al wat hy besitt', tot d'alderminste slet. Uyt lout're en gulle gunst, vrywillig, heeft gegeven.
Hy loove en danke Godt voor welstant van sijn huys, En offer d'Opperheer hartgrondige gebeden, Dat hy sijn dak bescherm voor ongelucx gedruys, En door sijn hulp haar red uyt al'er swarigheden.
Hy leve in vreedsaamheyt voor 't oogh van yeder een, En sticht sijn huys-gesin door woorden en met werken, En scherpt haar deugden in, door schrandre en wijse Reên. Geley' haar langs sijn spoor, met yver, na Godts Kerken.
Hy volgh des Heeren wil, in liefde tot sijn Vrouw, En pleegh sijn plicht aan haar, beschouw haar levens-lichten Met kuysche minne-gloet, en schende noyt sijn trouw Door vreemde gaylicheên, die 't echt-verbondt ontstichten.
Schoon d'ander helft sijns selfs, van andre Gods-dienst was Dan hy: soo sal hy doch sijn liefde niet besnoeyen, Maar't Roer ook even dan na 't ware min-kompas Recht stuuren; en met vlijt de huw'lijckx-stroom op-roeyen.
Hy houw haar wel te voor, 't verlaten van'er Kerk, En prijs de sijn' haar aan, doch moet sijn plicht niet krencken, Maar bidden d'Opper-vorst ('t bekeeren is Godts werk,) Dat hy haar ziel verlicht, en haar sijn Geest wil schencken.
Hy ploege vroeg en laat tot leeftocht voor sijn volk, En smeek de bron des heyls dat hy sijn handel segen, Op dat hy nooddruft heeft hier in dees aartsche-kolk, Maar nimmer zy sijn ziel tot gierigheyt genegen.
Hy zy sijn kinderen een Vader; geen Tyran, Hy straf haar, straffens tijt, doch straffe haar met maten, De kinder-tucht vereyscht geen wreetheyt: even dan Strekt straffen meer om quaat te doen, als 't quaat te laten.
Hy zy den hureling geen lastig Overheer, En val haar niet te strengh, noch acht haar min dan menschen; Maar denck door goede reen, en woorden krijgtmen meer Dan door geknor, gekijf, gevloek, of quade wenschen.
Maar wat wil ick mijn selfs bemoeyen om de Plicht, Van Jan en alle Man (hoe sy haar sullen dragen In huys aan 't huys-gesin) t'omschrijven door mijn dicht, Daar ick wel selver diend een ander sulks te vragen.
Die Vrouw en kinderen heeft, is wijser dan die geen, Die noch in vryheyt leeft, als ick: doch eerb're Maunen. En belght u daarom niet mijn korte Regel-reen, Men tracht, my metter tijt, al meê aan 't Juck te spannen.
Cookies on Poetry Cove