Skip to content
1663

Parnassus aan 't IJ

Jan Zoet

Antwoord.

Ioan. 14.6. GOds uyt-gedrukte beeld, getuygt dat hy de waarheyd, De weg, en 't leeven is. Zoo wie dan in die klaarheyd Sijn Schepper dienen wil; die offer sulk een hert, Waar in d'oprechtigheyd in alle deelen werd Vertoond. Zo dat nogh hoop, nogh vreez', nogh staat, nogh rijken, Nogh vriend, nogh vyandschap, nogh lief, noch leedt doet wijken Hem van de waarheyt af: al waart dat self de Hel, Door op-roer daaverde; zoo dat' et grouwzaam fel

Verschrikk'lijk Monster-dier, van haat, en nijd, en tweedragt, En agter-klap, en smaad, zoo groote gruuw'len mee,, bragt, Als ooyd de boosheyd self heeft in het werk gesteld; Want of men vreede koopt door leugenen: dat geld Niet voor 't al-ziende oog, 't geen hart, en ziel, en nieren Door-ziet, en kend, en weet, of zou de goedertieren God, een behagen in geveynsdheytscheppen? neen: Dat krijgt geen plaats in my, hoewel men 't in 't gemeen, Bewimpeld, en bedekt, wanneer men komt te liegen Om beters-wil (zoo 't schijnt,) dus weet men zig te wiegen In slaap, en onder-wijl, zoo loerd de helsche Draak, (Die om ons heenen sweeft) en lagt om deeze zaak. 't Is waar, de leugen van d'Egyptische Vroed-vrouwenExo. 1.19.20 Heeft meenig Heebreusch kind, ja! Moses self behouwen; En Rahabs list heeft meê zoo veel te weeg gebragt,Jos. 2.1. Dat zy Gods volk behield, en zy, en haar geslagt,Heb. 11.31. Wierd om die daad alleen behouden by den leeven. Maar deeze zaak die kan dogh gansch geen voordeel geeven, Om met een vreemde schuld zigh zelven te belaên; Want merkt: dat deeze daad dus by haar wierd gedaan, Had reden, en bescheyd, ten eersten wierd de boosheyd Van Faro weder-streeft, want 't waar een goddeloosheyd Te zijn gehoorzaam in een booswichts booze daadt, Ten tweeden hebben zy eens anders nut, en baat, En heyl, en welstand, en behoudenis veel stijver En ernstiger betragt, dan eygen vreê, dien yver Gelijkt geen-zins by dit (te weeten) dat men zal Bekennen zulk een zaak, daar nogtans niet met al Van waarheyd in berust. 't Is waar als dat de banden Des vreeds ons noodig zijn; want hoort de Reeden van,, den Zang-meester Israëls, die zeyd zoekt na de vreêPsal. 34.15. En jaag de zelve na, als een die na een Ree, Of Hart, of Hinde tragt, ook zeyd een vreê-verkonder, Staat na de waare vreê, en heylig-maaking, zonderHeb. 12.14. Den welken niemand zal de hooge Opper-magt, In sijne heerlijkheyt, beschouwen, daarom tragt (Zoo 't moog'lijk is) na vreê met alle menschen, word'erRom. 12.48. Gezeyd, en hoog belast. Wel aan dan, merkt! nu schort'er Een oop'ning van de zaak, die nogtans wel te regt, Zigh naakt en bloot vertoont, want merkt eens, waar men zegt, Zoekt, jaagd, en staat na vreê, en naa de heylig-maaking, Daar word dan niet gezeyd als dat men, met verzaaking Der waarheyd, van sijn Vriend; de vree, en vriendschap vry Betragten mag, daar staat: indien het moog'lijk zy,

Dat is, zoo 't kan geschien, dat vlek, noch smet, noch rimpel, Noch qwetzing aan 't gemoed geschied, die vreede-wimpel, Moet nooyd zijn ingehaald; jaa! nu nogh nimmermeer, 't Is beeter dat wy dan, ten dienst van God de Heer, Rom. 14.24. Ons Regt betragten. Want wat niet uyt den geloove Geschied, is zonde, en wy weeten daar-en-boove, Schoon datmen deeze vree, jaa! vriend en vriendschap derft, Als dat de vriendschap Gods in ons geen-zins versterft. Indien w'onschuldig zijn, zoo laat uw' vriend dan mennen Zijn waan door yver-drift; maar, wacht u te bekennen, Een vreemde schuld die dogh door u noyt wierd bediend; Want 't is veel beeter Gods, dan aller menschen vriend.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Parnassus aan 't IJ · Jan Zoet · Poetry Cove