Liedt, Stemme: Karileen.
BY aldien Zodanig iemants lot,, leit, Dat hy met een booze Vrouw Gequelt is alle daag, En dat hy graag Sijn recht, en sijn achtbaarheidt bewaren zou, Die moet zien, Dat hy nooit sulcken zotheidt Aan sijn scheldent Wijf begaat, Dat hy door kyvery, So zot als zy, In gramschap vervoert, de handen aan haar slaat: 't Hoge bevelen Dat hem toebehoort, In alle delen, Naar des Heeren Woordt, Sal dan Dien Man Niet volgen meer; Ook leit d' Acht baarheit Van zyn aanzien gansch om veer. Schoon hy Hooft En Heer van sijne Vrouw, is, Door de binding van den Echt, Die Godt in 't Paradijs, Tot lof en Prijs Der Mannelick' achtbaarheidt, heeft opgerecht, Hy verdooft De glans die in de Trouw,, is,
By aldien dat hy met kracht, Sijn eigen eenig' Een, Sijn Vleesch en Been, Te schoppen, te stooten, ja te smalen tracht; Zelf al de zoetheit Van den Echten-staat, Onder de voet,, leit, Daarmen twist en slaat; Dat Huis Heeft kruis, Meer als het zou, Wanneer, Hy recht Heer Was gebleeven van sijn Vrouw. Of het schoon Veel beter is te woonen In een woest en eenzaam Landt, Als by een twistend Wijf, Wiens vuil gekijf Den Man tot een wee is, en een schaamt' en schandt, Wil hy 't hoon, Dat zy hem aandoet, loonen Met een wederwaardigheidt: VVat onderrechting dan, Geeft sulken Man Aan haar, die van Gode hem is opgeleit? Kan hy sijn plichten, Daar hy zijne Gâ Mede moet stichten, Wel recht volgen na? Ik meen Wel neen, Mits hy sijn recht, Te voor, Al verloor, Met zijn twisten en gevecht. Dies hierom, Een Man, indien hy wijs,, is, En zijn recht en eer bemint, Zal met bescheidentheân, En wijze reên, Sijn Wijf ondergaan, die kijvend is gezint d' Eigendom, Die hem tot lof en prijs,, is,
Opgedragen door de Trouw, Moet hy als Hooft en Heer, Tot sijner eer, Zo sturen tot breidel van sijn booze Vrouw, Dat het regeeren, Van sijn wijze plicht, Vreeze des Heeren In haar harte sticht: Sijn lot Met Godt Kan zo beslaan, Dat dan, Zulken Man, Haar noch an de handt leert gaan.
A. Leeuw.
Cookies on Poetry Cove