Antwoort.
Nooyt is een schaduw', of, een lichaam is daar by. Nooyt is een meningh, of de Meender weet, dat hy Gegrontvest is, sulks was, sulks is, sulks kan gebeuren, Maar door te sellen haat, of sotte min, verscheuren
Sijn Reden, redenloos. Door Phaētontis spoor Rold hy besweet, begruyst. Daar klinkt wat in sijn oor! d'Antipodes verbaest om Jovis by stand krijten. Ach! Amphitrite rugh drooght op. Ops siet versplijten Saturni vruchtbaar veld. Ach! Cybele nu treurt, Om dat haar middel-rif werd ysselik verscheurt. Sy berst, sy rijd, sy splijt! sy quijnt, sy sterft door 't branden. Aen 's weerelds ander kreyts de krimpers klapper-tanden. Suft nu dijn blixem-ster, ô! groote Jupiter? Die Wagenaer ment dul! ey! slinger hem om ver. Hy beutel dat hy quat. Best een, als veel verlooren. Komt oyt een Vader u dus sinneloos te vooren, Dat hy sijn paden mist gelijk als Phoebi Soon, Smeek deese los-kop niet. Ga tot een hooger Troon. Charybdis, Scylla, sal u met de Sicilianen Van quaad tot erger u te schuwen wel vermanen. Wijck Pholci Dochter vry, sy schuym-beckt, bast, en bijt: Sy op haar neck en schoft, u na Charybdis smijt. Charybdis kaatst u om. Gy tuymelt in de vloeden. Haar Honden pimpel-paars, die huylen op dat woeden. Gy stickt, geeft gy het op? O kinderlijke man! Roep, (die, die dulheyt toomt) nu snel om bystand an, Geen Vader, Heer, of Vorst, men ooyt te hoogh moet eeren. Komt onse hooger macht wat quaads op ons begeeren, Smelt hy uw' eer, of goed, verschroeft in vreese Gods, Ga dan tot hooger macht. Die sal gelijk een Rots, De weeke tuymel-vloed haer rollen wel afkaetsen, Dats u, en Vader nut. Soo komt de Deught ter plaetsen, Daar sy behoord te zijn. Soo sterft het ongelijck. Soo bloeyt een Huys, een Stad, een Land, een Koninghrijck: Maar door te bot, of nesch, verderven Landen, Lieden, Om dat niet haastigh hier goe oordeelen geschieden.
J.P. Beeldthouwer.
Cookies on Poetry Cove