Antwoord.
NAdien de Wijsheit vraagt, wat voor den armen mensch
Het nutst is, 't lastig Kruis, in arremoed' te dragen,
Of overvolle weeld' in voorspoedt, na zyn wensch,
Om namaals, eeuwiglik, den Schepper te behagen.
So zeidt mijn Muza dit: 't is nutter al de slagen
Van 't ongenadig Kruis, vol noemelooze pijn,
Vol ongemak en spot, vol tegenspoet en plagen,
Te lijden, dan vol weeld' in voorspoedt hier te zijn.
Daar weeld' in voorspoedt is, is dartelheit, en wijn,
En pracht, en overdaadt, ja hoerery daar nevens.
Wat weeld' in voorspoedt schenkt, is niet als hels fenijn.
Die 't Kruis, in armoê draagt, ontfangt de Kroon des levens.
Is 't zo niet, inderdaadt, dat alle Kind'ren Godts,
Geduirig, eeuw op eeuw, Kruis, hebben moeten lijden?
Zeidt niet Godts Geest, daar haar de Werelt als ten trots
Geweest is, en wy met de Werelt moeten strijden;
Dit heeft ons zonne-klaar, in dees heilzame tijden,
De mondt der waarheit zelf, met macht, geopenbaart.
Als die sijn Heyl'gen Naam niet trachten te belijden,
Uit vreeze voor het kruis, die zijn hem gansch niet waardt.
Wie dan, om Christus, kruis, in armoê, wedervaart,
Die leer geduldig zijn, in alle rampen tevens,
Schoon hem het lastig kruis verdrukten onder d'aardt.
Die 't kruis, in armoê, draagt, ontfangt de Kroon des Levens.