Antwoord.
WAar't Hooft, de wijsheyd mist, daar missen al de Leeden, En waar de Schipper vloekt, daar vloekt elk Boots-gezel; VVaar 't voorste Paard maar hold, daar hollen d'ander meede; VVaar d'Overheyd is wreed, daar is 't gemeen zoo fel, Dat Stadt, en Staat, en Land, door oproer komt te schudden; VVant: waar den Harder doold, daar doold de gantsche kudde.
De huys-zorg is den man, op 't alderhoogst bevoolen; Vermidts hy Hooft, en Heer is van sijn huys-gezin, Dus zoo een Christ'lijk man, komt in die Pligt te doolen, Is erger dan een vat des ongeloofs: want in1. Tim. 5.8. Zijn stand, zoekt hy geen vrugt tot Godes Eer te winnen, Dogh: die sijn Ziel niet mind, hoe zal hy God beminnen?
Dat dan een Christ'lijk man zich zoo kom aan te schikken, Ontrent sijn huys-gezin, dat hy een Ligt verstrek, Op dat dat dierbaar schip, mag op die vuurbaak mikken, En dat noch zand, noch klip, haar kiel ten gronde trek: Gelukkig daar de Man, de gronden zoo komt peylen; Want waar men wijslijk stuurd, zal't schip niet ligt verzeylen.
De Man, vervoeg zich dan met hart, en ziel, en kragten,1. Pet. 2.7. En wijs heyd, en verstand omtrent sijn lieve Vrouw', Om zoo sijn Pligt, voor God, ten vollen te betragten, Hy draag haar zwakheyd, en verzagt alzoo de Rouw, De nood, de smart, de pijn, van 't pijnlijk kinder-baaren. Geen zoeter balzem-geur dan troost in noods bezwaren.
Maar doch hy zie ook toe, dat hy ze geenzins vleye, Wanneer haar bitze tong sijn Agtbaarheyd bestrijd, Nog koopt alzoo de vree, die hem van God doet scheye, En 't Agtbaar mann'lijk-Regt, dat hem is toegewijd.Eph. 5.29. Zoo moet dan van de man, die Rijks-staf zijn gedraagen, Tot welstand van de Vrouw', met wijsheyd, niet met slaagen.
De Man staat aldermeest, en aldernauwst te letten, Omtrent het huys-beroep, dat hy dat eêl gebeent, Zijn eygen dierb're Rib, weer in haar plaats komt zetten, En minnen die gelijk als Christus sijn gemeent':Eph. 5.25. Zoo word de huyszorg ligt, al was't by na ondraag'lijk. De Liefd', en vreêd' is God, en 't huys-gezin behaag'lijk.
Indien de goede God, de Man belieft te zeeg'nen, En dat sijn Eedel zaad, gelijk een wijngaard-loot, Rondom sijn taafel groend, zoo dat hem komt bejeeg'nen Alzulk een Lot, dat hem tot meerder huys-zorg noodt, Hy zoek met woord, en werk, de jeugd dan op te bouwen; Want: wie een ander leyd, moet zelf de dool-weg schouwen.
Hy laat sijn held're deugd', haar dan in d'oogen schitt'ren. Hy leer, vermaan, en straf, al naa geleegentheyd; Maar niet om 't week gemoed, door hardheyd, te verbitt'ren;Eph. 6.4. Want al te veel is quaad, zoo 't oude spreek-woord zeyd. Men moet dan niet te hard, nog al te zagt ook weezen. De middel-maat, die word van God, en mensch gepreezen.
Zoo d'Oppermagt dan keurd, en kend, en acht hem waardig Coll 4.1. Te oeff'nen heerschappy, aan Dienst-boôn; dat hy dan De zelve wel regeer; maar niet als een on-aardig En opgeblaazen mensch, ô neen! een Christ'lijk Man Diend (waar hy gaat of staat) dit in sijn ziel te hegten: Dat God een Regter is, van Heeren en van Knegten.
Wanneer een Christ'lijk Man, beneffens deeze vrugten Zijn arbeyd vlijtig doet tot voor, en onderstand Van 't huys, en huys-gezin, schoon hem dien last deed zuchten, Gelijk als Israël, door Faroôs wreede hand, Indien hy (seg ik) komt dat doel-wit regt te treffen, Hier zal hem sijn gezin, en namaals, God verheffen.
Dogh: zoo een Man beoogd, gemakkelijker zaaken, Tot nut, en baat, en heyl, en welstand van sijn huys Dit staat hem vry: maar dogh, hy diend het zoo te maaken, Dat in hem Gods gebouw niet nederstort tot gruys, En in den afgrond zink, door 't slim bedrieg'lijk hand'len. Wie Christ'lijk heeten wil, die moet ook Christ'lijk wand'len.
Een oprecht Christ'lijk Man zal 't huys-gezin bezorgen Zoo veel sijn magt vermag: en als hy 't zelfde heeft Tren. 3.23. Gedaan, hy is gerust: vermidts dat alle morgen Gods zeegen weer vernieuwd: hy zeyd: mijn Schepper leeft, Die my, en mijn gezin, bezorgen zal ten besten. Een Christ'lijk man, die moet sijn hoop in Christo vesten.
Zoo zal hy wijf, en kind, en dienst-bood overtuygen, Al had d'uytzinnigheyd, haar hart, en harssen-vat Schier tot een Zeetel-plaats, de schaamt zal haar doen buygen, Zijn Lof door 't eel gesternt tot in Gods heyl'ge Stadt. Zoo veel vermag de deugd des Mans, die voor komt streeven. Men leerd het huys-gezin, best door een heylig Leeven.
Maar dogh, dit diend gezeyd: hy moet uyt d'akker weere 't Onkruyd van eygen eer, tot sijn behoudenis; Want alles wat men doet moet zijn tot Godes eere, Of't is maar wind, en rook, en damp die nietig is, Hy laat door eer-zugt dan, zich zelfs, in slaap niet wiegen. Men kan de menschen wel, maar nimmer God bedriegen.
Wel zalig is hy dan, die dees ontfange gaven Als tot een schuld'ge pligt, op 't Altaar needer-stort; Vermidts zijn dienst, en zorg, en vlijt, en zweetig slaaven, Alleen geschied op dat daar door verheerlijkt wort Den naam sijns grooten Gods; wie zoo bestaat te ploegen, Kan God, en sijn gezin ten vollen vergenoegen.
Ten ende als de dood, op d'oever van de lippen Komt zeylen, en de draad sijns Leevens, stukken breekt, Zal hem de waarde ziel, niet uyt de boezem glippen Voor dat sijn Middelaar hem vry in 't harte spreekt; Iaa! eer hy van sijn leed, de leste drop zal drinken, Zal hem deez' Heemel-zang in hart, en ooren klinken.
Cookies on Poetry Cove