Skip to content
1663

Parnassus aan 't IJ

Jan Zoet

Sang-vaarsen, op de selfde stof.

Stemme: Te May als de Vogels singen. &c.

1. O Liefde, die van boven daald: die 's menschen ommegang bepaald: En steld sijn doen, een reegel: En yeder daadt, een seek're maat: Een vaste-peyl, en peegel. Besit mijn hart, mijn ingewand, Regeerd mijn ziele, en verstand. Bestuurd mijn gang, na booven. Weest gy, in mijn een daadt, en schijn: Om God, door u te looven.

Want, sonder u, bestaat geen Deugd. En buyten u, is rust, noch vreugd, Noch vroolijkheyt, op aarden. Maar, wie u heeft: en 't alles geeft: Sal 't alles weêr an-vaarden. Om, dat gy 't hoogste goed be-oogd. En na de waare-wellust poogd: En tracht, en weet te vinden: In d'eygen eer, van d'Opper-heer: Om wien, gy, 't al beminden. Gy zijt een Goddelijke-kracht: Die 's menschen wil, gemoed, en macht, Weet werkelijk te maken: In 't geen hy doet: om 't ware goed, (Als 't eenig-Wit) te raken. Gy word noyt (waar gy zijt) gedoofd. Wie u besit, hoopt, en geloofd, Vertrouwd, verwacht, Gods goedheyt. Wie na u haakt; een proefd, en smaakt Uw' eyndeloose Soetheyt.

Gal. 5.22. De vrucht des Geestes is Liefde.

Psal. 4.5. Eph. 4, 26. Word toornig, ende en sondigd niet. Jacob Steen-dam.

Noch vaster.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Parnassus aan 't IJ · Jan Zoet · Poetry Cove