Aan P. Verhoek,
Op de XIV. Vraag.
ZInrijke Geest Verhoek,
Uw breyn verstrekt een boek,
Wijl ghy van lid tot lid, de snoode Gierigheyd,
Daar Weeuw en Wees om schreyt,
Zoo konstig hebt ontleedt,
Dat elk, nu daar door weet,
Wat groove zonden dit afgrijslik Monster voedt,
Dat niemand voordeel doet,
En't alles kan verslinden.
Laat my dit kransje binden
Aan uw gestelde Luyt, op hoop, dat zy, daar door,
Te eer weerom, aan 't Y, mag streelen ons gehoor.
Jan Zoet Amsterdammer.