Liedt, Toon: La Coerante.
I.
WAt kunt gy Hoovaardye niet,
By die, door u op yd'le grootsheyt siet,
Gy doost de Lampe,
Van ons eel verstand,
Door vuyle dampen,
Van u Toover-brand.
Gy past op eeden, schaamt, nogh eer,
Maar drijft de ziele luftig heen en weêr,
Als ligte pluymen,
In de open lugt,
En doet hun schuymen,
Door een gloed van sucht.
Gy kent geen tranen van de trou,
Maar wert verraden tusschen Man en Vrou,
Gy breekt de bande,
Door de Liefd' gestrikt,
Gy agt't geen schande,
Dat me ziele stikt.
Gy past op wetten, nogh geboôn,
Maar klimt door gruw'len op haar troon,
Gy breekt de vreede,
Segt d'oorlog aan,
Schoon ghy door eede,
Hebt bestant gedaan.
Wat hebt gy niet al quaad gerokt,
En meenig door u valsche glans verlokt,
Ja opgeheeven,
Als een water-bel,
Dogh weêr gedreeven,
In een diepe wel.
Maar Monster, by Cerbeer geteelt,
Wat is de rol, die gy in 't eynde speelt,
O droevig klagen,
Tranen na berou,
Met steeds te vragen,
Ach! wie ben ik nou,
Want God, die alle ding gebiet,
Die lijd u opgang, maar voor eeuwig niet,
Die gy wilt soeken,
Buyten 't regte lot,
Wegh vloek der vloeken,
Waart te zijn bespot.
F. Verloo.
Constantia in Foelix.