Sang-vaarsen: op de selfde stof, an de Hoovaardigen.
Stem: Mijn hart en ziels Vriendin.
O Dubbel waan-wijs Sot, Die u; self booven God. (Elk ten spot) Verheft, in uwen waan: Om een ander te versmaân. Gy keft, en blaft, en bijt, Gy barst, van gal, en spijt: En bestrijd, Uw eygen schaduw maar: Wijl gy vreest een groot gevaar. Sou men benijden, Of hatig, bestrijden, Eenen, die sich self bevecht? En sijn eygen saken recht? 't Was maar werk verlooren. Wild u dan niet stooren. Laat het niemand hooren, Want dit valt te slegt. Gy waand, dat gy veel weet: En 't is schier niet een beet, Als men 't meet, Met d'onvervalschte maat, Van de waarheyt: die gy Haat. Gy word (segt gy) benijd: En voeld niet, 't geen gy lijd: Maar de tijd, Ontdekt ons uw verdriet: Als men u bedrijf door-siet. Had gy geen quelling, Gy sweegt sulk een stelling, Van u eygen Judas-kus. 'k Bid u; vreest geen pen, noch bus: Want in al uw werken, Is niets waard te merken: Als de losse-vlerken, Van uw: Icarus. Gy stinkt van Hoovaardy, Daar is niet anders by, Als dat gy, Verkondigd't eygen-Lof: Doch 't verdwijnd, als rook, en stof. Had gy in uwen aart
Yet Raars, benijdens waard? 'k Was vervaard, Voor uwe achtbaarheyt: Soo de deugd de grontsteen leyd. Maar, die u lasterd, Is vry wat verbasterd, Van de Reden, die hy voed: Mits gy dat u selven doet, Door u konstig Liegen: Om u te bedriegen: Als gy waand te vliegen, Schoon gy gaat te voet. Gy soekt niet dan de Schyn. En wild gepreesen zijn. 't Is uw pijn: Dat gy niet yder een Kunt vermeest'ren, in sijn reên. Doch 't helpt u niet met al. De sinaadheyt is een Bal (in dit dal) Die yder van sich kaatst: En niet lange blijft geplaatst. 't Keffen en 't keek'len, En yder te heek'len Met een reedenloos geschal: Staat voor (wijse liên) te Mal. Al 't vervaarlik krijten: En 't veracht verwijten, (Schoon het mach u spijten) Heeft noch slot noch val. Schijnt gy, nu vast te Staan? 't Kan lichtelik vergaan. 't Is maar waan, Daar gy u om verheft: En op and're vroomer, keft. Uw konst, uw eer, uw goed, U werken, die gy doet (armen bloed) Wat zijnse in der daad? Daar gy beet're om versmaad? Hebt gy nu oogen? Waar is het vermoogen, Dat gy morgen hebben sult 't Licht, dat nu de Sonne, duld Aan u? tot een leening? Ist geen snoode meening. Dat tot (Gods verkleening) Gy dus d'eer-sucht vuld?
Cookies on Poetry Cove