Antwoord.
EEn Vrouw, wanneer sy trouwt, die neemt een Heere aen, Om onder sijn gebiedt te wesen onderdaen; Staet af van al haer recht het geen haer toe mocht komen: Want sy heeft werck genoeg 's Mans gramschap in te toomen; Wanneer sy volgen sal haer Man sijn wil en wet, Na welck hem Godt het eerst heeft over haer geset; Wanneer hy vloeckt en raest met bulderen en tieren, Soo is het Vrouwen werck de Man gestaag te vieren; Wanneer door sijn beroep de sinnen zijn aen 't dwalen, Dan swijgt de Vrouw vry stil, en wil het seyl in halen. De Vrouw moet onder tucht van hare Man steets staen, Terwijl hy is haer Heer en sy sijn onderdaen.
Doch soo een boose Vrouw te buyten ging dees wet, Waer over dat de Man als rechter is geset; Wat staet hem dan te doen, het quade Wijf te stijven? En seggen: kint het recht hoort aen geen Mans, maer Wijven; Dat sou een Laf-hart zijn, een breecker van Godts recht, Een schender van sijn plicht, een breecker van sijn Echt;
Wat middel isser dan? hy stelt haer voor de plagen, Die al, wie dat de wet breeckt, duldelijck moet dragen; En luystert sy dan niet goetwillig na de wet, Soo bruyckt hy vry Godts macht die hem is by geset. De Vrouw moet onder tucht van hare Man steets staen, Terwijl hy is haer Heer, en sy sijn onderdaen.
Hy onderrecht haer eerst, na Goddelijcke plichten; Doch zijn die niet soo straf, dat sy daer voor wil swichten, Gebruyckt het Werelts recht eens Vaders aen sijn Kindt, Tot dat haer boosheydt ent, en sy u weer bemindt; Kastijt haer na u recht, met woorden, en met daden, Soo lang tot dat sy God, en u, bid om genade: Want wie hier van sijn Vrouw, eenmaal word overheert, Die maakt dat God, daar door, ook schandig word onteert. Hy weer dit onheil dan, en leer haar tijdig duiken Voor 't Manlik recht, dat zy, noch hy niet mag misbruyken. De Vrouw moet ondertucht van hare Man steets staen, Terwijl hy is haer Heer, en sy sijn onderdaen.
Cookies on Poetry Cove