Zang.
WIe vol van nijd, ondeugdig voor Gods oogh
Op d'aard verwerpt, de schat van 't salig leeven,
Voor eygen eer, en roem: raakt noyt soo hoogh:
Ten zy, hy 't hart die hoogmoed heeft ontdreeven.
Hy, die elk haat: en 't haaten poogd t' ontgaan:
Benijd de deugd; en maakt de nijd sich eygen.
En soekt de twist, en tweedracht an te raân:
Door laster-schrift, waar mee hy schijnd te dreygen.
Maar 't zy hoe't zy: sijn vuyle hoogmoed woeld:
En wil steeds meer als and're menschen schijnen.
Hy, die sich roemd, dat hy geen lijding voeld:
Pynd sijn gemoed. Hy kan geen ander pijnen.
Sijn Hoovaardy (meest op gewaande konst)
Is groot: hy wil dat yeder hem sal prijsen.
Ver-acht hy elk: hy eyscht nochtans haar gonst.
En Pocht: dat men geen feyl hem an kan wijsen.
Die grootse-Nar, hoe av'rechts dat hy gaat,
Bespot Godts Werk, in 't geen hy licht kan krijgen:
Ook door een vlieg': voor d' eersten dageraad.
Men keurd' hem wijs, indien hy maar kon swijgen,
Daarom, hoe't loopt, of hy en scheld en vloekt;
Die sich an haar Verloove wil, moet treuren:
Mits and're hem te booven gaan. Al soekt
Hy haar, die hier Noch vaster staan, te steuren.