Toe-zang.
Stemme: Als 't begint.
I. GOed dempt nimmer Giericheyt, Nogh sal oit een vrek doen denken, 'k Wil u arme Man yets schenken, Schoon gy nogh soo vyerig zijt.
Pithius een machtig Heer, Deed veel goud uyt bergen graven, Door de Boeren, en sijn Slaven, En verlangde staag naa meer.
Schoon sijn volk hem groote schat Bragten, door haar bloedig sweten, Hy en gunde haar geen eten, Hoe een yeder daarom bad.
Ellik schikte, Wijf en Kind, Na sijn Vrouwe, de Vorstinne, Of sy daar door kosten winne, 't Geen men by de Bakkers vint.
Maar wat hem sijn Vrouwe smeekt, Dat hy sou sijn Knechts versaden, En hun maag met spijse laden, t Was een doove, voor gepreekt.
Straks bedacht s'een brave list, Sy laat goude brooden scheppen, Hasen, hoenders, duyven, sneppen, 't Welk sy haar Gemaal op-dist.
Die (toen hy om t'eeten quam) Eerst ter tafel daarom lachten, Dat s' hem goude spijs voorbrachtẽ, Maar hy wierd op 't laatste gram.
Door den honger scherp geparst, Eyscht hy andere disch-banketten, Kooren-brood, hem voor te setten, Met een vleysig-hoen, geharst.
Hier door heft de Vrouw weer op, En sy hout hem voor: het klagen, Dat sijn Boeren alle dagen, Doen, om brood, en voedsaam sop.
Gy hebt maar een dag gevast; Onse Knechten veele weeken, Gy wilt ree van honger spreeken, Noot u Boeren eens te gast.
En verschaft haar voortaan spijs, Dat sy niet van honger sterven, En u Landen heel verderven, Doet gy sulcx, soo bent gy wijs.
Siet, hoe rijker Gierigaart, Hoe veel kariger van leeven, Niemant sal hy yetwes geeven, Voor sijn lichaam leyt in d' aart.
In Verbo Spero.
Cookies on Poetry Cove