Zang-dicht.
I.
WIe dus, in alle dingh,
Sijn pligten kan betragten,
Heeft in dees eenigingh
Niet dan veel heyls te wagten.
Hy voedt sigh, staagh met 't nat,
De dropp'len van Gods zeegen,
Bedauwt, besproeyt, bespat,
Ten top van vreugt gesteegen.
Wie zigh tot goet begeeft,
En na de deugt kan voegen,
En altoos heylig leeft,
Kan God en mens vernoegen.
Lieft standtvastigh.