Skip to content
1663

Parnassus aan 't IJ

Jan Zoet

Antwoord.

RYckdom in overvloed, noch Armoed, swaer en groot, En wilt mijn dogh (ô! Heer) op deser aerd' niet geven, Versaken mogt ick u, door last des hongers noodt, En seggen, waer is God, mijn Heere nu gebleven? Rijckdom in overvloed, te hebben op dees aerd', Baert twist, en haet en nijdt, in dit vergancklijck leeven. Voorspoed baert lust tot sond, en weckt ons tot hovaerd'; De weelde in voorspoed, doet menig namaals sneeven. Dus Heere die wel kendt, hoe broos mijn sinnen zijn, Gunt mijn met lijdsaemheydt, geduldigh 't kruys te dragen, Geeft ons nooddruftig heydt, al baert ons d'armoed' pijn, Noch nutter Armoed is, als weeld', tot Godts behagen.

Want ghy zijt Heer een troost, der armen, inde noodt, Die vast op u genaed, en hulp, altijdt vertrouwen; U Spreuck leyd Lazarus, gerust in Abrams schoot, En straft den Rijcken Vrek, in wanhoop en mis-trouwen. Job veel gequel en strijdt in armoed over quam, Heeft nochtans met geduld, en lijdsaemheyd geleden; Sijn woorden waren al: God gaff, God weder nam, Doch leeft nu als uw knecht, by u, mijn God, in vreeden. Dus bid ick u mijn God, leert mijn geduldig zijn, Te nemen op mijn kruys, in pijn, armoed', en plagen; In noodt sendt mijn u hulp, u troost verstercke mijn, Veel nutter armoed is, als weeld', tot Godts behagen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Parnassus aan 't IJ · Jan Zoet · Poetry Cove