Skip to content
1663

Parnassus aan 't IJ

Jan Zoet

Antwoord.

I. WIen 't huwen geeft den last van sorgens ongemak, Moet hier van het bestier soo wijselijk betragten, Dat hem tot heyl gedy dit toe beschoren pak, Wie braaf sijn pligt voldoet staat niet dan zeeg' te wagten. Voor al hy in 't gesin een ware Godsvrugt plant, Dien aller Opperheer eerbiedig leer te vreesen: Dees deugd blinkt in de ziel, meer als het diamant, Dat in een kronkel klis van hayren is te leesen. Dit is de gront geleit, waar op de huyssorg rust, En van het heele werk, den Hoeksteen uytgevonden. Sijn Liefde tot die geen, word nimmer uytgeblust, Hem eeuwig door de trouw onscheydelijk verbonden. Maar wortel in sijn hert, en staat gants wikkeloos, Schoon vaak de norse nijt haar dapper aan durst randen; Staag groey, en bloeyze, als een vers ontlóke roos; De min draagt 't huw'lijks heyl in 't knopsel van haar banden.

Hy leev' selflakeloos, gelijk 't een Christen past, En blijv' sigh aan het quaat door wellust niet vergapen, Den yver tot het goet wiert dus ontharrenast, Waar dat den Herder doolt, daar doolen meest de schapen. Een yeder, hooft voor hooft, sigh tot de deugt begeeft, Hy lijd' niet dat het quaed ooit nestelt in sijn daken, Nogh vuyle dartelheit te ruymen teugel geeft, d' Opsiender strekt sijn volk tot Godsvrugt self een baken. Hy hou sigh buiten trots in slegte deftigheit, En çier sigh met de glans van statelik betamen, En eertijds wel te regt-gepleegde needrigheit. Het needrigh' is een deugt die niemant hoeft te schamen. Hy quijt sigh in sijn ampt tot weering van de noot; Bezorgh sijn kinderen, na 't woort en wil des Heeren, Die hem en haar verschaft hun dagelixse broot; Noyt laat hy door verzuym die 't noodige ontbeeren. Vermeerdert langs hoe meer sijn haave, en sijn goet, En komt God in sijn schoot de zeegen uit te storten, Soo houw hy nauw in dwang den breidel van 't gemoet; En weet die voor de drift van hoogmoet in te korten. Wie 't ydel, ydel schat, leeft boven 's menschen peyl. Onlukkigh, diens geluk op 't nietigh komt te rusten, En daar in stelt alleen sijn aller opperst heyl: 't Is heerlik Vorst te zijn en Koning van sijn lusten, Mijns dunkens al genoegh van 's Mannen pligt verhaalt, Wie dus in alle dingh omsigtigh sigh kan voegen, En nimmer al te diep in 's werelts droombed maalt, Weet God en sijn gesin ten vollen te vernoegen. De Vrouw in Godsdienst verschillende. Dit's wel, wanneer de Vrouw een Godsdienst heeft met hem, Maar komtse door verschil, die Vremden op te dragen, En datse, stijf van hooft, niet luystert na sijn stem; Wat dunkt hem dan het best om beyde te behagen. Het voorstaan van Gods eer is hem van groot belangh. Hy poogh door saftigheit haar van dit pat te lokken; De Reden gelt hier 't meest. 't Geloof dat lijt geen dwang, Maar wortse nergens door uit 't misverstant getrokken, Soo veeld' hy efter niets, tot nadeel van Gods eer. Pleegt zy Afgodery. Hy stel sigh fors daar tegen. Toon Liefde tot u Vrouw, maar tot u Schepper meer, Veel is u aan haar gunst dog meer aan sijn gelegen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Parnassus aan 't IJ · Jan Zoet · Poetry Cove