Antwoord.
Psal. 50. DAar Dankbaarheyt en Trou den loop des Jaars besluyt,
Werd Gods genaad en gonst verwekt tot nieuwen zeegen.
God kroont sijn eygen werk, en voert'et heerlik uyt,
En blijft altoos sulk een, tot weldoen vast geneegen.
De Dankbaarheyt bedenkt, genooten goed en zal
Psal. 116. Luydruftig, ongeveynsd, ontfangen weldaad roemen.
Zy offerd hert, en ziel, den Hemel overal,
Gods-dienstig is'er doen, ik derf'er heylig noemen.
De Trou betaalt na kracht vereyste Heemel-plicht,
En wijkt noch rechts of slinks van 't voorschrift der gebooden,
Zy houd stantvastig op Gods waarheyd haar gesicht,
Zy veynst om liefd' of haat, schoon dat m'er socht te dooden.
Dus Dankbaarheyt en Trou, getrouwt als Echt aan een,
Verwekt volstandigheyt, die nimmer al kan sterven:
Wie dus dan 't Jaar vol-end, die zelv' en anders geen,
Zal God zijn zeegen weer in 't nieuwe Jaar doen erven.