Antwoord.
DEn Opperprins, (die suyv're en onbreekb're wetten Aan 't geest'lijk Israël sijn dierbeminde geeft, Niet sulke die veroud, vervuylt, met aartsche smetten Besoetelt zijn, maar reyn uyt 's Hemels mondt,) die heeft Dees vraag, in goet gevolg, verklaart in sijn gebooden. Waar Godt self vonnist, is het mens'lijk niet van nooden.
Dit zijn sijn lessen: hebt u vyandt lief, haar vloeken Zult gy met geene vloek, maar! zeegen weer vergôen, Doet wel die, die uw haat, en soo sy immer soeken, U in de weerelt leet, en lijden aan te doen, Dan bidt voor haar, dit 's my, en u, en elk bevoolen. Wie op de Noord-star doelt, kan nimmermeer verdoolen.
En of dan Ouders Kindt, of kind'ren eeuwig haaten, (Dat schier onmoog'lijk schijnt, en niet, of selden beurt) Soo seg ik mag een Soon, aan sijn zy niet verlaaten Sijn pligt, al word hy schoon gehaat, versmaat, gesleurt, Geschantvlekt, uytgeluyt voor Fielt, en wat des meer is. Daar treft geen ramp aan 't hart, daar 't hart van ramp een Heer is.
Nu vraagt gy: zal 'k mijn saak die recht is, self vertreeden Door swijgen? en van elk gesien zijn met de nek? O ja! of ghy ontdekt uw Ouders vuyligheeden, Een Christen speelt sijn rol ter weerelt maar voor gek, 't Waar datje liefd'loos gingk Natuur en Wet versaaken. Die lijt, Godt en de tijt sal hem onschuldig maaken.
De liefde leert u dit; dogh meest lieft men om woeker, Om die gunst, en om dat, om die eer, en daarom, 't Is nu maar om 't genot, om 't aartsche is men kloeker, Met meerder yver, als in 't waare Christendom. Sijn Vyandt lieven, dat 's de mens te nauw bedisselt, Hier is 't maar eer, om eer, en gout, om gout verwisselt.
Gehaat, gesmaat te zijn, sigh selven te mishagen Is 't regte Kruysse dat een Christ-geloovig past. Maar, segt gy, 'k hoor het van mijn Ouders niet te draagen. Wel waar: maar 't is geluk, en vry een minder last Te lijden van haar, die Natuur uw dwingt te minnen. De liefd' moet eygen liefd, en wellust, overwinnen.
Wilt gy van schult voortaan uw ziel, en lichaam vrijen, Draag 't opgeleyde kruys, dog! met verduldigheyt. Denk Jesus droeg alleen 't verdiende weerelts lyen Onnosel: waarom toon ik my dan onbereyt, Om over 't stroojen kruys soo kommerlijk te sugten? VVat't vleys onsagt'lijk schijnt, wil 't hart altijt ontvlugten.
Soek noyt uw' goede saak, al word'jer om mispreesen, Als 't anders niet en kan, op punten van het Regt Te houden staan, laat eer het goed yet schuldig weesen, Eer datje dwaas'lijk 't onversett'lijk teegen vegt. Dan overtuygje 't quaat: en of haar tooren fel,, brandt, Soo leeft een Soon te regt tot ziel en lighaams welstant.
Cookies on Poetry Cove