Antwoord.
ICk doop mijn Pen in d'Inck, en geve mijn advijs Op d' op-gestelde vraech, op hoop dat ick een prijs Sal krijgen; doch so ick hier meê geen prijs kan trecken, 'k Versoeck 't geselschap niet met mijn advijs wil gecken. In voorspoet weelderich te wesen, dat is mis, Die sulx doet te veer van 't spoor verbystert is, Hy steunt met Ikarus op smeltbre wasse vlercken, Hy doet met Belthsasar mijns oordeels sotte wercken. Die man wanneer dat hy in groote wellust sat, En soo men 't voorspoet noemt, oock groote voorspoet hadt, Wiert door de starcke handt van Gode neer geslagen; De weelt in voorspoet kan den Hemel niet verdragen.
Laet ons het voorbeelt van dien Ziel-voocht volgen naer, Die in sijn grootste kruys en uyterste gevaer, Of soo men 't doodts-noot noemt, geduldig heeft geleden De grootste spot en smaed, die hem de Jooden deeden; Doe hy geslagen wiert, hy sloech niet wederom, Hy macktent kromme recht, en 't rechte nimmer krom; Doe hy bespoogen wiert, heeft hy niet weer gespoogen, Maer duldelijck gedult. Hy sit, in 's Hemels boogen, Gekroont ter rechter handt sijns vaders, met die kroon, Die dien Man is bereyt, en wech geleyt tot loon, Die tot den eynde blijft volstandigh; en ick oordeel, Die 't kruys, in armoed, draeght, die doet sijn ziel groot voordeel.
Cookies on Poetry Cove