Antwoord.
DE hofsche Hoovaardy, met duyzend slimme vonden, Die ben ik niet gezind op 't naauste te doorgronden, Wijl dat den Hooveling, zich zelfs als naakt ontdekt, Maar: spreek in 't algemeen, van hoogmoed, die de harten Der menschen als bezit, tot eygen leed, en smarten. De lust tot hoogheyd, baard 't geen tot verderving strekt.
Wy noemen't Hoogvaardy, mids dat de zulke vaardig Tot hooge dingen zijn, en dat'er niets soo waardig In hun gedachten speeld; zoo datze dag, en nagt Als in een woeste zee van ongerustheyt leeven, Wijl datse door de wind van eer-zught zijn gedreeven, De Hoovaardy, die maakt haar zelfs altijd verdagt,
Zy is (in 't kort gezeyd) nooyt met'et haar te vreeden, Staag word'er naam, en eer, en lof, en roem bestreeden, Schoon zy die niet bezit; want haar laat-dunkentheyd, En ingebeelden waan, doet hert en herssens klimmen, Tot boven 't hel gesternt', zy vreest nogh spook, nogh schimmen, Als hoogmoed rijst in top, dan is haar val bereyd.
Dan. 4. De Babilonsche Vorst, wanneer hy zig verhefte Door hooge Hoovaardy, soo was 't juyst dat hem trefte Een ysselijke val, dat hy verstooten wier. 5. Mach. 9.5. God die de Hoovaardy van Antiochus strafte, Act. 12.13. Die was 't ook die het loon den Kinder-moorder schafte. De hoogmoed, is by God, een schrik'lijke Monster-dier.
Ja zelfs de Eng'len zijn door deeze zaak gevallen, Uyt hunne heer'likheyd; zoo dat'er geen van allen, Voor't heylig aanschijn Gods genaâ gevonden, heeft. En: zoo de Meester is, zoo eeven zijn de Knegten, Wijlz' onder de banier van haar Leydsman vegten, Men keurd de stand des booms, na dat hy vrugten geeft.
Zoo 't Paard van Hoovaardy, de voet raakt uyt te glippen, En zy (door avontuur) komt uyt de zaal te wippen; Daar leyd de trotze waan; dan geeftse zugt op zugt, Doch stracx bereykt haar oog een and're koers te zeylen, Zy weet (dogh blindeling) de gronden af te peylen. De waan bouwd (in 't gemeen) Kasteelen in de lugt.
Dit doodelik vergift schuylt in de binnen-zoomen Van 't need'rig-schijnend-Kleed, zoo wel als in 't volkomen, En pragtig pronk-gewaad van zijd' en louter goud; Dit kan zelfs zijn by die, die als voor Sion waaken, Zoo datse Kerk, en Koor, en Predik-stoel doen kraaken, De grootste Hoovaardy is, daar men 't minst vertrouwd.
't Is waar! d'uytwendigheyd van vreemd' en weytse strikken, Zijn dikwils doornen, die het need'rig hart verstikken, Want (in't gemeen) aan't hooft, en oor, en hals-cieraat Beschouwdmen hoe het hart van binnen is bezeeten, Met grootse Hoovaardy; nogtans dit zal men weeten, De grootsheyd vest haar troon, by hoog', en laage staat.
Elk haat de Hoovaardy, en niemand, met de werken, Opregte ootmoed toond, dit quam ook aan te merken De kloeke Roomsche Vorst, Aurelius genaamt, Of schoon Antisthenes geveynst gaat door Athenen, Den wijzen Socrates ziet door sijn mantel heenen. De waare need'righeyd een Christen-ziel betaamd,
Cookies on Poetry Cove