Antwoord.
DIt heeft een Christ'lijk Man, met yver te betrachten, Op dat hy zijnen God, en huisgezin vernoeg': Hy moet, om Gods genade, en zegen te verwachten, Voor al Godvruchtig zijn: sijn huysgezin ook vroeg En laat aanmanen tot Godzalige oeffeningen, En onderwijzenze in de Christ'lijke Leer'; Op dat de vreese Gods hen in het hart mag dringen, Door ware Godsdienst krijgt men zegen van den Heer'.
Hy moet, om dat hy is het Hooft der Onderleden. Voorzichtig wesen in 't bestieren sijns Gezin; Op dat de Wanschik daar geen voogd zy, maar de Reden. Waar dat de Wijsheyt praalt vloeit alle welvaart in. Wie dat voorsichtig is; sal 't al tot heyl gedijen. Hy moet sijn huysgezin van kleeding, drank en spijs, Door sijn beroep, om voor armoede te bevrijen, Verzorgen; zijnde altijd oprecht, vroom, goed en wijs. Hy moet sijn handeling met nucht're zinnen plegen. Van dolle dronkenschap, die kanker in het huis, Moet hy zich hoeden: want zy jaagt Gods rijken zegen Ten huize uit, en verschaft armoede, ramp en kruis. Hy moet, als Zon van 't huis, in alle deugden brallen: Voorneemlijk zy hy aan sijn huis door liefd' verknocht. De Liefd' behoedt het huis voor wankelen en vallen: Want daar de Liefde is, vlied het schadelik gedrocht Der barze Tweespalt; Nijt, Bedrog, Gekijv', Ontrouwe. Zoo deze Liefd' hem leidt, zal hy zich, buiten spoor Van 't heilig Huwelik, met eene vreemde Vrouwe Niet verontreinigen; maar staan de Kuisheit voor. Door Liefde moet hy ook sijn wettig Kroost opkweken, Op dat het bloeye, als weel'ge Olijven, aan sijn disch. Hy moet nooit, hoe het ga, in felle toorn ontsteken: Want gramschap is een vuur dat naauw te blusschen is. Hy moet in al sijn doen, voor God en voor de menschen, Zich quijten dat hy houde een rein en vroom gemoed: Zoo zal den Hemel hem meer heil als hy kan wenschen Toezenden: want, een rein gemoed maakt alles goed.
Cookies on Poetry Cove