Antwoord.
DE Gierigheyt, is een on-matig vuyl-begeeren Van schatten: die men met den naam van goed, vercierd. Een Lust tot Rijkdom: die men als een God, komt eeren. Een drift tot Geld: dat men ontsiet, en diend, en vierd: Daar men het hart opset, en poogd sijn troost te bouwen. De Gierigaart, sal meer op 't goed, als God vertrouwen.
S'is een Afgoden-dienst: een duyvelsche Versaking Van God; en Gods voor-sorg: die 't alles kleed, en voed. Een wulpse-Troeteling: een ydele vermaking, In dingen die vergaan: die men verlaten moet: Een steunsel sonder grond: een rust-plaats op een heekel. Een doodelijke beet, een's dubbeld dollen Reekel.
Sy is een Kanker; noch veel slimmer als de Pokken: Die an d'onkuysse-mensch, noyt rust, noch vreede laat. Een hongerige Rop, die 't alles op wil slokken: Die altijd leedig blijft, en nimmer word versaad. Een Teering in 't gemoed: een troosteloose wan-hoop. Daar men het onrecht queekt, heeft sond' een vryen an-loop.
Sy is een boos Gedrocht: een Monster: sonder weer-ga: Die an haar Meester, self de wreedste quelling doet: Die hem van 't goed beroofd: en laat hem niet een veer,, na, Van alles wat hy heeft: schoon hy het diend, en hoed. Die hem sijn eygen, noch eens anders laat gebruyken. De Gierigheyt, is een van 's duyvels veylste-suyken.
Siet maar, haar dikke buyk; haar in-gevallen oogen, Haar bleek, en leelik vel, haar swarte-hairen an: Haar slaafsche kleeding, die sy sich heeft angetoogen: Haar mag're schinkels: die sy niet verbergen kan: Haar gulden keeten, die haar houd geboeyd, Gebonden. Wie sulk een Adder streeld, die word daar van verslonden.
Geen Wolf, een Hay, was oyt soo gulsig, noch soo vratig: Geen Vogel-grijp, besprong het aas, met bitser beet. Een uyt-gehongerd-Swijn, is in haar ansien, matig: Schoon, dat het meenig-maal; sich self te barste vreet. Geen prikkel, slaat de ziel, en 't lichaam, dieper Wonden. Een gierig hart, is als een broey-nest aller sonden.
Haar oogh, en oor, en hart, en beurs blijft vast geslooten Voor d'arme: want sy heert (hoe veelse heeft) gebrek. Sy slaat in 't goed van Weeuw, en Wees, haar wreede pooten: Met schijn, of sonder schijn van recht. Haar Haviks-bek Is op-gespalkt: en gierd om alles te verslinden, De Gierigheyt (als 't graf) sal noyt versading vinden.
Bedrogh, en moord, en krijgh, met al diens schellem-stukken, Zijn Vruchten van dit Beest, dat ziel en lichaam doodt. Dat altijd besig is, om and're te verdrukken. Dat de begeerte, met de schatten, steeds vergroot. Wie sal 't dan schoonder beeld, als Tantulus toe-voegen? Geen overvloed, kan 't hart des Gierigaarts vernoegen.
Soo dat een gierig-mensch de slimst is, aller Dieven: Mits hy Gods eer, en 't goed des naasten, roofd, of steeld. Hem self het nut ontrekt: en niemand sal believen, Schoon dat de nood hem roept, en God hem sulks beveeld. Dogh, sijn begeerte, kan meer als de lucht bevatten. Een Gierigaart blijft arm, al kreeg hy Cresus schatten.
1. Tim. 6.10. De geld-gierigheyt is een wortel van alle quaad.
Prov. 11.28. Wie op sijne Rijkdom vertrouwd, die sal vallen.
Cookies on Poetry Cove