Gesang.
Toon: Hoesingt en springt de domme jeugd, &c.
O Drymaal zalig is dien Man,
Die zich zoo Christ'lik dragen kan,
Zoo, in de huyszorg, weet te voegen,
Dat hy God en sijn huysgezin,
Daar meê ten vollen kan vernoegen!
Die deugt oogst heyl en zegen in.
God zal hem zeeg'nen van om hoog,
Zijn doen, met een genadig oog',
Aanschouwen, en hem gunst betonen;
Hem vrede schenken; hy sal hem,
Hier namaals, doen, voor eeuwig, wonen
In 't zalige Jerusalem.
Sijn huisgezin zal hem daar voor
Beminnen, volgen op sijn spoor;
En hem een goed ontzach en vreeze,
Die na de reên gematigt is,
Toedragen. Zalig sal hy wesen!
Gods huys sal zijn sijne erffeniss'!
Jan Staatz.