Skip to content
1663

Parnassus aan 't IJ

Jan Zoet

Antwoord.

ICk sal, op 's Vriendts versoek, nu hier den wijsen speelen: Een Blinde draagt de toorts voor d'andere, die sien: d'Onkunde in maat-gesangh, sal keurige ooren streelen: Ghy riekt hier tijm uyt loock, ick kom u bloemen bien. Psalmisten, Salomons, Aurelen, Epicteten. De pen der wijsen, kan d'onwijse wijs doen heeten.

De Soon die toets sijn wil, aen Godes wil en wetten: Soo vindt hy sijne wil op reên of waen gevest. Hoe naader Godes glans, hoe sigtbaarder ons smetten. De boose waen verstrekt voor d'eedele ziel een pest. Een goe besluyting kan 't gemoet onwinlijk maken. Hy struykel ligt die steunt op losse onvaste saken.

't Is al vergankelijk, en vol veranderingen: Die het gemoet hier aan wil hechten, wort ontroert. d'Onwijse, laat sigh door sijn togten slaafs bedwingen: De wijse, sie het spel des weerelts aan, als boert. Haar vriendschap, die verbeelt ons Hontjes die t'saam speelen: Een brokje, tusschen tween geworpen, baart krakkeelen.

Een brokje lants, doet Vaâr en Soon, te samen wrijten. Gins hitst de heerschappy' twee Broederen ten strijdt. Hier lokt een hals juweel, de Man en Vrouw tot smijten. Elk mint voor anders nut, sijn eygene profijt: Natuur hout ons gestaag het eygen nut voor oogen: Maar waan van nuttigheyt heeft duysenden bedroogen.

De Soon moet 't nut met deugd en Gods vrees t'samen paren: Maar niet met 't uyterlijk, te weynig hier geagt, Soo sal hy sijn gewis met schult noch anghst beswaren. Sijn nut zy eer en trou, aan 't menschelijk geslagt,

Weldaat en lijdsaamheyt, g'lijkmoedig te betoonen: Die lijdt en mijdt, de tijdt en waarheyt vlecht hem kroonen.

De waan blint yeders oogh, elk houdt sijn wil voor reeden: Te meerder dan verdragh, den Soon der Oud'ren waan. 't Gebrek, der Ouden wordt ('t is wijsselijk) geleeden: 't Gedult, en weldoen, kan dees huys-pest ondergaan: 't Geen onversett'lik scheen door reedenen versetten. Men vangh de stijve waen best in haar eygen netten.

Wat raad, des Ouders haat wil na geen reeden hooren? Vergeef het hun, ô Soon, het is haar onkundts schuldt: Bidt Godt, hy oopen haar hun oogen en hun ooren: Zijt lijtsaam, en verdraagh, hebt Christelijk gedult: Leeft datge aan Gode lief en waart zijt, hy u Vader. Gods Scherm-liefde overwint deese aartschen allegader.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.