Skip to content
1663

Parnassus aan 't IJ

Jan Zoet

Antwoort.

't WOordt Hoovaardy, dat is hoogh-moedigheyt geseyd, Hoogh-moedig wort (ten Hoof) grootmoedig uyt geleyd. Groot is geen goed, of quaad. Tot 't goed, is groot prijs-waardig: Tot quaad, is 't kleenste best. Groot quaad, is seer onaardig, Het stoslik ding, is ding. Groot is geen ding,'t is by 't Gunt in sich self bestaat. Soo is de Hoovaardy Geen ding,'t is toeval. Soo sy valt in reyne sinnen, Moet men grootmoedigheyt gelijk sijn Bruydt beminnen. Die grootheyt in't gemoed spant al sijn krackten aen, Om al de voddery des weerelds te ontslaen. Sy dringt (als't vier) om hoog. Sy vliegt, op Arends vleugelen, Ganymedes. Als Jovis Troetel-kind. Geen bit, geen toom, geen teugelen Beletten haar die loop, dan wort grootmoedigheyt Tot wijsheyd, waarheyd, deugd, grootmoedelik geseyt. Gy vraagt op hoovaardy, met kitteling, en prickel, Tot lekk're smaak in 't vleesch. Niet, als ik weeg en wickel Het aldergrootste groot in 't brein, des vleeschs sijn deel. Neen! 't is op't sondig vleesch. Dit punt lijt geen krakeel! Groot, is tot sonde quaad. Al quaad tot quade, saken. Hoe vind ik nu dit quaad? dat quaad, sou dat ook blaken, In't stamel-kind sijn breyn? als't op een turfje staat, En roept sijn grootheyt uyt? het ken geen goed, of quaad. Het heeft geen wet, 't is vry. Sal ons 't cieraed der lellen, En hals, en borst-juweel, en strik, en quik vertellen, Door zijd, en krakend goud, der Juff'ren Hoovaardy? Wegh met die Kindse prael! 't is Vrouwe kramery. Hoe! als men't lijf verformt, en anders dwingt als 't God schiep, Is't botte Hoovaardy. Natuur het reyn gebod riep: Mensch! schend geen Scheppers werk. Hy heeft 't al wel gemaekt. Beklad geen aengesicht met plaesteren: soo staek Uw binden, knevelen aan schoone losse leden. 'k Stap van dat slap verstand. Ik kom tot Mannen treden, Die Vrouwen zijn gelijk in cierelik cieraad. Wegh met die Kramery! ik sie veel grooter quaad, In Mannen, wonder kloek, geciert met silver haren, Door-peekeld in 't verstand, die dikwils openbaren Haar Hoovaardy in 't hert, die door de lippen breekt, Of tot de pen uyt berst, 't zy, dat hy schrijft of spreekt. Ach! sloop die Hoovaardy niet over alle drempels. Was sy geen President in Troonen, en in Tempels, Had sy geen mantel om, Borduurt met Godes woord, Dan volgde niet, soo vaak, verwoesting, brand, en moord.

Die hoogmoed spreekt rond nyt op weereldse tonneelen. Sy komt vermompt haar rol op Predik-stoelen speelen. Sy onbeteutertspreekt met een glad voor-hooft, aen Die volcken, die rondom daer na te luyst'ren staen. Ik, ik ben Gods Gesant! wie ons hoort, hoort God spreeken. Wy leeren Gods woord reyn. Volg my. Dwaalt gy? soo reken My burgh, die Heer tot schuld. Ik set mijn ziel voor u. Wegh met dat rasend volk! 'k koom tot de sijnste nu: Geen wervel, grendel, slot, kan ik op aarden vinden, Die d'yle Hoovaardy kan in de mensch bebinden. Veel minder weet ik dan een knip, een schuyf, een slot, Dat in het hart niet blijkt een Hoovaardy voor God.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Parnassus aan 't IJ · Jan Zoet · Poetry Cove