Skip to content
1663

Parnassus aan 't IJ

Jan Zoet

Gesang. O Kars-nacht.

VVIe kan het klooven van de baren Naspeuren? daar het schip komt varen? Soo snellik voor de wind en stroom? VVie kan het pad des luchts bespooren? Daar effen quam een pijl door booren? Soo schijnt 't verleden ons een droom, VVie kan vast in sijn hersen stellen 't Verwelkt gebloemt? wie kan vast tellen De druppels die gevallen zijn? VVie kan het beeld sijns stems afmaalen? Soo luttel kan het breyn bepaalen Verleden tijd,'t is ons een schijn. VVie sal de locht sijn breedte meeten? VVie salder oyt te weegen weeten

't Gewicht des viers? wie sal de dagh Herhaalen! die daar is gevloogen? Geensterflik menschsal dat vermoogen! 't Is min, of hy een schaduw sagh! VVel schaduw! Schutters-pijl, en baren! 'k Laat u (als blixems) heenen varen! 't Verwelkt gebloemt dat tel ik niet! Het beeld eens stems wil ik niet maalen. 'k Laat die nu by haar oorsprong dalen. Dogh! op 't on-end'lik men nu fiet. Gy nooyt begonnen All! Gy Vader! O Oorsprong! gy Fonteyn, ô Ader! Van al wat was, is, worden sal, VVat weesen is, of had gevoelen. Laat ons na uw' on-end'lik doelen, Daar is het hoogste All, in All.

J.P. Beeldthouwer.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.