Skip to content
1663

Parnassus aan 't IJ

Jan Zoet

Antwoord.

VErschaf, mijn vaarse-schacht, verschaf, my heden stof, Niet om een gaauw vernuft, met letter-dicht te roemen, Of d'anders herssen-geest, een eeuwigh Goden-lof, Teschenken, door u rijm, neen, 't zijn geen geur' ge bloemen, Noch myrthe, of lauwre blaân, die ik t'hans van u eysch, Maar 't is een ander mergh, 't geen nu u dicht moet dichten, Het is die snoode sond, de Hoovaardy die 't vleysch, Soo lieff'lik geurt, maar 't hart veel onheyls komt te stichten. Ondek dan haar natuur, wat is die minne-pop, Die yeder een soo streelt, en als een God komt eeren. 't Is een vol gruw'le romp, met een vergoude kop, Een Monster, welk het hooft sijn lichaam doet verteeren. Een vuyl verdoemd gedrocht, 't geen d'Eng'len, uyt het dak Des Hemels, storten deed, in d'afgrond van der Hellen, Daar nu Gods wraakb're hand, met een ondraaglik pak Van sijne grimmigheyt, haar eeuwig komt te quellen. Een ziel-verslindend beest, vervult met Duyvel-list, 't Geen door sijn snood bedrog, in 't Paradijs bestormde De Geest van d'eerste mensch, die stracx daar door verquist Sijn waarste zielen-schat, en deed dat God hervormde Sijn zeegen in een vloek, en dreef het eerste paar Ten geur'gen lust-hof uyt, en haar den dood deed sterven, Die anders eeuwiglik geen prijkel noch gevaar Van sterven hadden, noch van dood, of doods bederven. Een vyand van den mensch, schoon sy haar minlik toont, 't Is maar een korte tijt, strakx stoots' u uyt den setel, Van Rijk en Hof,Beltzazar, Nero, &c. en 't hooft t'hans cierelik gekroont, Sweeft morgen woest op 't velt, eet gras, en wilde netel.Nebucadzezar. Een schadelik vergift, gemengt met Amber soet, Wel lieflik in de mond, maar doet het harte breeken, Door't droesig Adder-sap, en 't giftig Draken-bloet, 't Geen dees soet schijnb're vocht, heeft in haar boesem steeken.

Een minlik Vrouwen-beeld, in schijn, verlokkend schoon, Van buyten voor 't gesicht, maar in der daad, van binnen Een Schets van Cerberus dien Hel-hond Typhons Soon, Afgrijsselik te sien, veel erger te beminnen. Een aangenaam, voor 't oor, soet-singende Sireen, Die door haar soete stem elkx lust op d'oever tokkelt, En tot den slaap beweegt, dan ruktse haar by 't been, In 't bruyschen van de zee, soo wort den mensch gerokkelt, Door vuyle Hoovaardy, de bron van alle quaat, Tot d'afgrond van de Hel. S is aangenaam in d'oogen, Heel cierlik opgetoyt, maar onder't goud gewaat, Schuylt angel, speer, vergift, met helsche vlam omtoogen, Hier siet gy 't pronk-juweel, 't geen elk soo heuslik groet, En liefkoost, afgemaalt met al haar eygenschappen, Wie soud dit snood gedrocht, en adderlik gebroet Noch in sijn boesem voên, maar laas, de merken klappen, En toonen dat'er veel van dit besmett'lik beest, In 't hart bekroopen zijn; het welk sy staag doen blijkken, Den een door grootsigheyt, en opgeblasen Geest, Waant dat een yegelik, voor hem behoort te strijkken. Een ander door de pracht, hooghartig op sijn kleet, Treet moedig als een Paauw, en toont alsoo sijn sotheyt, En meynt, dat yeder een, moet stadig staan gereet, Om sijn verwaande kop te dienen als een Godheyt. Dees stoft op gelt, op goet, die snuyft op pratse gang, Een Juno, op haar schoont', een Phoebus, op sijn dichten, Appell' op schilder-konst, een Orpheus op sijn sang, Een ander op sijn schrift, de derde op boeken stichten, Soo blijkt elkx Hoovaardy, die in sijn boesem sit, Voelt yemant sich getreft, hy heeft my te verschoonen. 'k Beken ook selfs, mijn self, niet vry van haar gebit. Mijn waarheyt gaat recht door, en vraagt naar schimp nogh hónen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Parnassus aan 't IJ · Jan Zoet · Poetry Cove